Kantonrechter Zaanstad 30-01-2003 (Visser), JAR 2003, 64


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 64.

De werknemer is op 23 september 1974 bij de werkgever in dienst getreden. Met ingang van 9 november 1998 is de werknemer arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van een burn out. Vanaf eind 1999 heeft de werknemer op arbeidstherapeutische basis voor vijf dagdelen per week gewerkt. Per 14 februari 2002 was er blijkens rapportage van het GAK nog geen uitzicht op herstel binnen een redelijke periode. Gedurende het eerste ziektejaar heeft de werkgever het volledige salaris doorbetaald. Gedurende het tweede ziektejaar heeft de werkgever de WAO-uitkering tot 100% aangevuld. Daarna heeft de werkgever de uitkering aangevuld tot 100% over de in het kader van de arbeidstherapie gewerkte uren. In maart 2002 heeft de werkgever met toestemming van de CWI de werknemer ontslagen per 14 juni 2002. Daarbij is aan de werknemer geen vergoeding toegekend. Wel heeft de werknemer naast zijn WAO-uitkering nog recht op een uitkering krachtens een particuliere aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering alsmede op een uitkering ingevolge een voor hem afgesloten collectieve WAO-gat verzekering. In totaal ontvangt hij daarmee nog ongeveer 80% van zijn oude salaris. De werknemer stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is en vordert betaling van een vergoeding. De kantonrechter wijst de vordering af. De werkgever heeft meer dan drieëneenhalf jaar na de ziekmelding gewacht met het aanvragen van een ontslagvergunning. Gedurende die tijd heeft hij de werknemer in staat gesteld op aangepaste tijden te werken en heeft hij zich het financiële lot van de werknemer aangetrokken. Het valt hem niet euvel te duiden dat hij tenslotte, toen een definitief herstel nog altijd niet in zicht was, het dienstverband heeft beëindigd. Het feit dat de positie van de werknemer op de arbeidsmarkt niet rooskleurig is, maakt het ontslag niet kennelijk onredelijk. Dit zou anders kunnen zijn als voldoende vast zou komen te staan dat de oorzaak van de ziekte in het werk gevonden moet worden. Hiervan is door de werknemer echter geen bewijs geleverd of voldoende concreet aangeboden.

Verder lezen
Terug naar overzicht