Kantonrechter Zutphen 04-10-2001 (Smulders), Prg. 2001, 5773


Ontbinding gewichtige redenen (disfunctioneren). Ouderschapsverlof. Ziekte. Schadeloosstelling (C=0,9); fictieve. Opzegtermijn.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een 41-jarige assistent-groepsleidster (20 jaar in dienst, salaris NLG 4.783,32 bruto per maand op basis van een 90% dienstverband) op grond van disfunctioneren. Nadat in de loop der jaren kritiek was geuit op het functioneren van de werkneemster en zij diverse keren is overgeplaatst, wordt met de werkneemster overeengekomen dat zij na haar bevallingsverlof voor 50% als activiteitenbe- geleidster en voor 20% als groepsleidster zal functioneren. De werkneemster laat weten dat zij 20% minder is gaan werken in het kader van ouderschapsverlof en dat er geen sprake is van vermindering van arbeidsduur. Twee maanden na de werkhervatting meldt de werkneemster zich ziek. Na overleg met de werkgever en de bedrijfsarts blijkt dat de werkgever de werkneemster niet meer terug wil en dat de werkneemster bereid is zich op kosten van de werkgever te laten omscholen (PABO-opleiding). Als de werkneemster arbeidsgeschikt wordt verklaard voor haar eigen werk en een WAO-uitkering wordt geweigerd, laat de bedrijfsarts weten dat de werkneemster haar eigen werk als activiteitenbegeleidster niet meer kan uitoefenen in verband met de te verwachten uitval en verzoekt de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is met de werkgever eens dat werkhervatting als activiteitenbegeleidster geen optie is en ook niet als groepsleidster omdat daaraan door de complexere zorgvraag steeds hogere eisen worden gesteld. Bovendien heeft de werkneemster zelf aangegeven te opteren voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst dient derhalve te worden ontbonden. Met betrekking tot de vergoeding overweegt de kantonrechter dat de arbeidsovereenkomst op 90% dient te worden vastgesteld, hoewel betwijfeld kan worden of aan de werkneemster ouderschapsverlof is verleend. Hoewel de werkgever enige steekjes heeft laten vallen met betrekking tot het inroosteren van de werkneemster en er nagenoeg geen reïntegratie- activiteiten zijn ontplooid, stelt de kantonrechter de correctiefactor vast op 0,9. Voorts houdt de kantonrechter gezien de bedoeling van de wetgever (anti-cumulatie) geen rekening met de fictieve opzegtermijn ex art. 16 lid 3 WW. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereen- komst met een vergoeding van NLG 88.000,-- bruto

Verder lezen
Terug naar overzicht