Kantonrechter Zutphen 06-03-2002 (Smulders), Prg. 2002, 5875


Competentie. Herstel dienstbetrekking. Kennelijk onredelijk ontslag. Opzegtermijn. Voorlopige voorziening.

Een werknemer met een voor onbepaalde tijd voortgezette arbeidsovereenkomst van één jaar zegt zijn arbeidsovereenkomst op met een opzegtermijn van één maand. Zijn arbeidscontract bevat echter een opzegtermijn van drie maanden. De werkgever vordert in kort geding twee maanden voortzetting van de werkzaamheden, subsidiair een voorschot schadevergoeding wegens onregelmatige en kennelijk onredelijke opzegging en meer subsidiair een voorschot schadevergoeding wegens strijd met het goed werknemerschap respectievelijk op grond van wanprestatie. Hoewel de werknemer buiten het rechtsgebied van de kantonrechter woonachtig is, acht de kantonrechter zich op grond van art. 100 Rv bevoegd, omdat geprocedeerd wordt op basis van een arbeidsovereenkomst, die onregelmatig of kennelijk onredelijk is geëindigd. De kantonrechter overweegt met betrekking tot de gevorderde werkhervatting dat gezien het ingrijpende en onomkeerbare karakter deze slechts in kort geding kan worden toegewezen als zo goed als zeker is dat deze in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Dat is hier niet het geval. Sinds 1 januari 1999 is veroordeling tot herstel dienstbetrekking niet meer mogelijk en dat hangt samen met de veroordeling tot werkhervatting. Bovendien lost de onregelmatigheid van het ontslag zich op in een schadevergoeding. Ook biedt de stelling dat de werknemer zich niet als een goed werknemer heeft gedragen respectievelijk wanprestatie heeft gepleegd, onvoldoende grondslag voor voortzetting van de werkzaamheden. Met betrekking tot de gevorderde voorschotten schadevergoeding is de kantonrechter van oordeel dat hier geen sprake is van spoedeisende omstandigheden zoals voor toewijzing van een geldvordering in kort geding vereist is. Verder is de kantonrechter van oordeel dat de contractuele opzegtermijn nietig is op grond van art. 7:672 lid 3 en 6 BW omdat de overeengekomen termijn voor de werkgever niet twee keer zo lang is als die voor de werknemer. Ook is er geen plaats voor conversie. Bovendien geldt op grond van de wetsgeschiedenis in geval van een nietige gelijke opzegtermijn de wettelijke opzegtermijn. Er is dus geen sprake van onregelmatig ontslag. De kantonrechter acht het vooralsnog twijfelachtig of het ontslag gelet op art. 1 lid 2 ESH kennelijk onredelijk, dan wel strijdig is met het goed werknemerschap of een vorm van wanprestatie oplevert. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Terug naar overzicht