Kantonrechter Zutphen 12-03-2002 (Smulders), Prg. 2002, 5869


Bepaalde tijd. Ontbinding gewichtige redenen. Overgang onderneming. Ziekte.

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar van een manager wordt verlengd. Kort na de verlenging staakt de werkgever (A) zijn bedrijfsactiviteiten. Zij worden voortgezet door een andere werkgever (B). De werknemer wordt vervolgens arbeidsongeschikt. A laat de werknemer weten dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden voortgezet en verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat de functie van de werknemer is vervallen. De werknemer stelt dat de werkgever niet-ontvankelijk is omdat geen reïntegratieplan is overgelegd. De kantonrechter is het met de stelling van de werkgever eens dat op grond van de uitspraak van Hoge Raad (HR 22-06-2001, Van der Kooy/Van der Velden, RvdW 2001, 116, JOL 2001, 388, NJ 2001, 475, JAR 2001, 130, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 209) ingeval van bedrijfsbeëindiging het reïntegratieplan achterwege kan blijven. Echter er vanuit gaande dat de werknemer een dienstverband heeft met A, stelt de kantonrechter vast dat vier van de zes werknemers thans nog werkzaam zijn voor A, zodat er geen sprake is van bedrijfsbeëindiging en A dus niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Met betrekking tot het voorwaardelijke verzoek van B gaat de kantonrechter er vanuit dat de werknemer in dienst is van B. Ook in deze procedure stelt de werknemer dat een reïntegratieplan overgelegd dient te worden. De kantonrechter overweegt dat het verweer dat er geen reïntegratieplan overlegd hoeft te worden ingeval van bedrijfsbeëindiging hier niet op gaat, omdat in dit geval de verzoekende werkgever B zijn bedrijfsactiviteiten niet heeft gestaakt doch slechts een einde is gekomen aan de bedrijfsactiviteiten van A, die B heeft overgenomen. Bovendien valt op voorhand niet uit te sluiten dat reïntegratie binnen B niet mogelijk is. Derhalve is ook B niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Terug naar overzicht