Kantonrechter Zutphen 18-10-1999 (Smulders), Prg. 2000, 5418


Ontslag op staande voet. Ontbinding gewichtige redenen (dringende reden: fraude). Ziekte.

Een 38-jarige werknemer (bijna 18 jaar in dienst, salaris NLG 3.694,--) wordt op 19 maart geschorst en op 1 april 1999 op staande voet ontslagen wegens het enige guldens te veel declareren van lunchkosten. Op 22 maart is de werknemer echter arbeidsongeschikt geworden ten gevolge van een auto-ongeval. Vervolgens verzoekt een personeelsmanager namens de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter maakt duidelijk dat een ontbindingsprocedure ter zake van een reeds verbroken arbeidsrelatie onmogelijk is en dat de werkgever niet ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van een reïntegratieplan. Partijen treffen vervolgens een schikking, waarbij de werknemer tijdelijk wordt overgeplaatst en het ontbindingsverzoek wordt ingetrokken. Inmiddels is het ontslag op staande voet nietig verklaard en de werkgever veroordeeld tot loondoorbetaling. Nadat de werkgever de werknemer heeft medegedeeld op grond van gewijzigde omstandigheden zich niet aan het schikkingsvoorstel te houden, verzoekt de werkgever opnieuw ontbinding van de arbeidsovereenkomst, onder overlegging van een reïntegratieplan. De werkgever stelt dat de personeelsmanager niet bevoegd was tot het treffen van een schikking, zodat deze de werkgever niet bindt. De kantonrechter acht onvoldoende weersproken dat de personeelsmanager niet bevoegd was. De werknemer mocht echter afgaan op de bij het verzoekschrift gevoegde volmacht. Bovendien heeft de werkgever door de werknemer niet onverwijld in kennis te stellen, maar hem pas in het verzoekschrift te confronteren met het feit, de onbevoegd verrichte rechtshandeling stilzwijgend bekrachtigd. Door een schikking aan te gaan, zag de werkgever in dat ontbinding niet gerechtvaardigd was. Aangezien aan het tweede verzoek geen andere reden ten grondslag ligt, wijst de kantonrechter ook dit verzoek af.

Terug naar overzicht