Kantonrechter Zutphen 22-09-1998, Prg. 1999, 5091 (Buijs)


Buitenlandse werknemer. Ontslag op staande voet (onwettig verzuim). Matiging loonvordering. Ziekte.

Een buitenlandse werkneemster, drie jaar in dienst, salaris NLG 550,-- netto per week, wordt op staande voet ontslagen als zij na haar vakantie niet op het werk verschijnt. De werkneemster, die twee maanden later de nietigheid inroept, stelt dat zij destijds opgenomen is geweest wegens acute psychose en niet wist van de ontslagbrief. De werkneemster vordert doorbetaling van loon c.a., en subsidiair een schadevergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag. De kantonrechter is van oordeel dat nu de werkgever geen bewijslevering heeft aangeboden van werkneemsters arbeidsgeschiktheid en er voor een ambtshalve opdracht daartoe geen aanleiding bestaat, moet worden aangenomen dat de werkneemster arbeidsongeschikt was en niet in staat was zich ziek te melden. Wegens het ontbreken van een dringende reden is het ontslag op staande voet nietig en overigens ook disproportioneel. Een waarschuwing met looninhouding was meer op zijn plaats geweest. Hoewel met betrekking tot de loonvordering op grond van art. 7:629 BW een second opinion moet worden overgelegd, kan dit de werkgever niet baten, nu hij door de arbeidsovereenkomst te beëindigen, toepassing van art. 7:629 BW zelf onmogelijk heeft gemaakt. Op grond van de door de Hoge Raad ontwikkelde en in de Wet flexibiliteit en zekerheid neergelegde maatstaf is de rechter slechts bevoegd tot matiging van de loonvordering, indien toewijzing tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Van dit laatste is echter geen sprake. De vordering is derhalve toewijsbaar, zij het beperkt tot 70% van het loon in verband met art. 7:629 BW.

Verder lezen
Terug naar overzicht