Kantonrechter Zutphen 25-02-2003 (Smulders), Prg. 2003, 6069, JAR 2003, 100


Herstel dienstbetrekking. Kennelijk onredelijk ontslag. Passende arbeid. Schadeloosstelling. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 100.

De werkneemster, geboren op 4 september 1946, is na zes jaar werkloos te zijn geweest, met ingang van 1 november 1994 bij de werkgever in dienst getreden in het kader van de WIW-regeling (Wet inschakeling werkzoekenden) voor 38 uur per week tegen een salaris van laatstelijk € 1.315,19 exclusief 8% vakantietoeslag. In oktober 1999 heeft de werkneemster zich ziek gemeld vanwege de (whiplash) gevolgen van een haar in april 1999 overgekomen verkeersongeval. Met ingang van 15 mei 2000 is zij door de Arbo-arts hersteld verklaard. Op 22 september 2000 heeft de Arbo-arts deze hersteldmelding ingetrokken en de werkneemster alsnog arbeidsongeschikt geacht vanaf oktober 1999. De WAO-aanvraag van de werkneemster is op 7 februari 2001 afgewezen. Op 15 oktober 2001 heeft de werkgever de werkneemster bevestigd dat gezocht zal worden naar passend werk. Lukt dat niet voor januari 2002, dan zal tot ontslag worden overgegaan. Bij brief van 18 februari 2002 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd. De werkneemster stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is onder meer omdat de werkgever zich te weinig zou hebben ingespannen om passend werk voor haar te zoeken. De kantonrechter deelt dit standpunt. Vast is komen te staan dat de werkgever vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster in oktober 1999 één bemiddelingspoging naar ander werk heeft ondernomen. Niet gebleken is dat de werkneemster te weinig gemotiveerd was voor passend werk. Of dit het geval is, kan ook pas worden vastgesteld nadat passend werk is aangeboden of tenminste concreet is besproken. De werkneemster heeft zelf twee initiatieven ondernomen om weer aan het werk te komen. Gezien dit alles is het ontslag kennelijk onredelijk. Nu de werkneemster heeft gesteld dat zij voor deelname aan het arbeidsproces is aangewezen op de WIW, acht de kantonrechter termen aanwezig om de arbeidsovereenkomst te herstellen, dit voor 20 uur per week nu de werkneemster daar zelf op heeft aangedrongen en geen van beide partijen gebaat is bij herstel van een arbeidsovereenkomst voor 38 uur per week. Voor de overige 18 uur acht de kantonrechter een vergoeding van € 8.000,-- bruto billijk, gelet op de kantonrechtersformule, het feit dat de werkgever therapiekosten voor de werkneemster heeft vergoed, en gedurende twee jaar alsmede gedurende de opzegtermijn het loon heeft doorbetaald. De kantonrechter stelt voorts een afkoopsom vast, waarbij door betaling de veroordeling tot herstel van het dienstverband komt te vervallen. Bij de berekening hiervan past de kantonrechter een correctiefactor 3 toe (€ 35.000,-- bruto).

Terug naar overzicht