Kantonrechter Zutphen 26-08-2003 (Smulders), Prg. 2003, 6123, JAR 2003, 218


Herstel dienstbetrekking. Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 218.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Zutphen 25-02-2003, Prg. 2003, 6069, JAR 2003, 100, hierboven). De werkneemster is tot 1 mei 2002 op basis van een WIW-dienstverband (Wet inschakeling werkzoekenden) voor 38 uur per week in dienst geweest van de gemeente. Per die datum heeft de gemeente het dienstverband opgezegd. De kantonrechter heeft, in een door de werkneemster aangespannen procedure, geoordeeld dat het ontslag kennelijk onredelijk is en heeft aan de werkneemster een vergoeding toegekend van € 8.000,--. Daarnaast heeft de kantonrechter de gemeente veroordeeld om de arbeidsovereenkomst te herstellen naar een arbeidsomvang van 20 uur per week, onder vaststelling van een afkoopsom van € 35.000,--. De gemeente heeft de arbeidsovereenkomst per 10 maart 2003 hersteld voor 20 uur per week. De werkneemster stelt dat de gemeente aldus het vonnis van de kantonrechter verkeerd heeft uitgelegd omdat, nu daarin geen andere hersteldatum is genoemd, uitgegaan had moeten worden van herstel per de datum van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dus per 1 mei 2002. De werkneemster vordert een verklaring voor recht dat de gemeente alsnog het dienstverband moet herstellen vanaf 1 mei 2002. De kantonrechter stelt vast dat in het vorige vonnis niets is bepaald over de datum van herstel. De werkneemster heeft ook geen herstel met ingang van een bepaalde datum gevorderd. Het enkele feit dat een veroordeling tot herstel van het dienstverband ex art. 7:682 lid 1 BW is uitgesproken, brengt niet mee dat de werkgever verplicht is een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden per de datum van de beëindiging. Dit volgt naar het oordeel van de kantonrechter uit het feit dat de wetgever in 1953 geen nietigheidssanctie op kennelijk onredelijk ontslag in de wet heeft opgenomen. Had de wetgever gewild dat een werknemer in geval van kennelijk onredelijk ontslag had kunnen kiezen tussen schadevergoeding en ongewijzigde voortzetting van zijn dienstverband, dan had opname van die keuze in de wet voor de hand gelegen. De omstandigheid dat op een enkele plaats in de memorie van toelichting de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst als een vordering tot nakoming wordt gekwalificeerd, maakt dit niet anders, te minder nu de Hoge Raad heeft uitgesproken dat herstel van de arbeidsovereenkomst een schadevergoeding anders dan in geld impliceert en dus geen vordering tot nakoming. Ook de andere door de werkneemster genoemde wetsartikelen nopen niet tot het volgen van de door haar voorgestane uitleg. Van belang is tenslotte dat een werknemer bij zijn vordering tot herstel de kantonrechter kan vragen een termijn te bepalen. De werknemer is daardoor niet overgeleverd aan de willekeur van de werkgever met betrekking tot de datum van herstel.

Terug naar overzicht