Kantonrechter Zutphen 26-11-2002 (Smulders), JAR 2003, 8


Arbeidstijd. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 8.

De werknemer heeft de werkgever in februari/maart 2001 mondeling laten weten dat hij vanaf 1 augustus 2001 32 uur per week wil gaan werken in plaats van 38 uur. Hij heeft dit verzoek schriftelijk herhaald bij brief van 23 april 2001. De werkgever heeft het verzoek mondeling afgewezen op of omstreeks 20 juli 2001. Daarop heeft de werknemer bij brief van 15 augustus 2001 geschreven dat, nu goed overleg niets oplevert, hij een beroep doet op de Wet aanpassing arbeidsduur (WAA). Hij heeft daarbij geschreven per 1 september 2001 32 uur per week te willen werken. De werkgever heeft het verzoek afgewezen bij brief van 23 september 2001 op de grond dat de leidinggevende functie van de werknemer in een kleinschalige organisatie binnen een relatiegerichte markt zich verzet tegen inwilliging. Voorts heeft de werkgever aangevoerd dat het verzoek niet tenminste vier weken vóór de beoogde ingangsdatum van de wijziging van de arbeidsduur is ingediend. De werknemer heeft zich daarop tot de kantonrechter gewend. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het ingrijpende karakter van de sanctie op het niet tijdig reageren op een verzoek inzake art. 2 lid 1 WAA, de criteria waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. Voldoet een verzoek niet aan de criteria van met name art. 2 lid 3 WAA, dan is daarop slechts art. 7:611 BW van toepassing. In onderhavig geval is op het eerste verzoek van de werknemer de WAA niet van toepassing, nu dit verzoek mondeling is gedaan. Op het tweede verzoek, van 23 april 2001, is de WAA eveneens niet van toepassing, omdat de gewenste datum van ingang van de arbeidsduurvermindering korter dan vier maanden nadien lag. Het derde verzoek lijdt aan hetzelfde manco. De vordering van de werknemer is daarom niet toewijsbaar. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat toetsing aan art. 7:611 BW ook tot afwijzing van de vordering geleid zou hebben, nu de opstelling van de werkgever – herhaaldelijk overleg gevoerd, verzoek gemotiveerd afgewezen onder verwijzing naar bedrijfsbelangen, alternatieven aangedragen – afgezet tegen het motief en belang van de werknemer niet onredelijk was.

Terug naar overzicht