Kantonrechter Zutphen 28-01-1999, Prg. 1999, 5129 (Smulders), JAR 1999, 49


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling (C=0,5; B inclusief winstdeling; fictieve opzegtermijn).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 49.

Een 48-jarige werknemer, 31 jaar in dienst, salaris NLG 4.318,31 (bruto per maand?) wordt een andere functie aangeboden, omdat hij zich niet die vaardigheden eigen heeft kunnen maken, die noodzakelijk zijn voor het kunnen werken met een nieuw computersysteem. De werknemer gaat niet akkoord, meldt zich ziek en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een termijn van zes weken, op grond van een verstoorde arbeidsrelatie met een vergoeding van NLG 263.211,51 (C=1,5). De werknemer meent dat de werkgever hem onvoldoende heeft begeleid om zich het nieuwe systeem eigen te maken en dat de aangeboden functies niet passend zijn. De kantonrechter overweegt dat de invoering van een nieuw computersysteem noodzakelijk was en dat het hier gaat om een werknemer met een sleutelfunctie met een groot afbreukrisico. Niet is gebleken dat de werknemer onvoldoende is begeleid en de werkgever heeft een redelijk aanbod van andere passende functies gedaan. Vast is komen te staan dat de verstandhouding ernstig is verstoord en dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden. Op grond van alle omstandigheden acht de kantonrechter een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een correctiefactor van 0,5 billijk, rekeninghoudend met het feit dat de werknemer steeds goed heeft gefunctioneerd. De reorganisatiebeslissing ligt in beginsel in de risicosfeer van de werkgever maar de werknemer had kennelijk meer moeite met de overgang dan andere werknemers, hetgeen in zijn risicosfeer ligt. Ontbinding op een termijn van zes weken in verband met de voor de werknemer geldende fictieve opzegtermijn (ex art. 16 lid 3 WW) is in strijd met art. 7:685 BW, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn behoort te eindigen. Ontbinding op een termijn van (veel) meer dan één maand is daarmee niet te rijmen. Het verzoek om in geval van ontbinding op korte termijn een dienovereenkomstige hogere vergoeding toe te kennen wijst de kantonrechter af, aangezien de wetgever met de invoering van art. 16 lid 3 WW een anti-cumulatieregeling in het leven heeft willen roepen ten laste van de werknemer. Er bestaat dan ook geen reden voor een hogere vergoeding dan op grond van de kantonrechtersformule, waarbij echter wel rekening wordt gehouden met de gemiddelde winstuitkering van 7,5% van het bruto inkomen.

Terug naar overzicht