Kantonrechter Zwolle 08-07-2002 (Fikkers), KG 2002, 216, JAR 2002, 197


Bepaalde tijd. CAO. Uitzendarbeid. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 197.

De werkneemster is op 10 september 2001 voor bepaalde tijd tot en met 9 maart 2002 als cateringmedewerkster in dienst getreden bij de werkgever. De werkgever heeft deze arbeidsovereenkomst niet verlengd. Voor indiensttreding bij de werkgever werkte de werkneemster via een uitzendbureau bij verschillende inleners, onder wie de werkgever. Op de arbeidsovereenkomst met het uitzendbureau was de ABU-CAO van toepassing, op de arbeidsovereenkomst met de werkgever de CAO voor de Contractcateringbranche. De werkneemster stelt dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst met de werkgever niet is geëindigd omdat de werkgever beschouwd moet worden als de opvolger van het uitzendbureau, nu de werkneemster hetzelfde werk is blijven doen als zij voorheen via het uitzendbureau deed. Zij vordert als voorlopige voorziening doorbetaling van loon. De kantonrechter stelt vast dat de werkneemster zich erop beroept dat met het uitzendbureau een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen, die in tijd voorafgaat aan de daarop gevolgde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met de werkgever. Naar het oordeel van de rechter is er echter geen uitzend-/arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan tussen de werkneemster en het uitzendbureau. De werkneemster heeft niet alleen voor de werkgever, maar ook voor andere inleners gewerkt. Verder lijkt het erop dat geen sprake is van een aaneengesloten periode van 18 maanden. Zelfs indien een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan op de voet van art. 11 ABU-CAO, dan nog is het de vraag of voor de beëindiging door de werkgever voorafgaande opzegging vereist was. Onduidelijk is of de eerdere uitzendovereenkomst op grond waarvan de werkneemster aan de werkgever was uitgeleend, rechtsgeldig is opgezegd. Verder is het de vraag of de werkgever geacht kan worden de opvolger te zijn van het uitzendbureau, terwijl zijn eigen CAO bepaalt dat een voorafgaande uitzendrelatie met dezelfde werknemer niet wordt meegerekend in de keten van art. 7:668a BW. Het antwoord op deze vragen is niet zo duidelijk dat aangenomen moet worden dat de werkneemster in een bodemprocedure in het gelijk zal worden gesteld. Haar vordering is daarom niet toewijsbaar.

Terug naar overzicht