Kantonrechter Zwolle 21-01-2003 (Boele), Prg. 2003, 6081


Bepaalde tijd. CAO. Goed werkgeverschap.

Een werknemer treedt op 5 januari 2001 in dienst als timmerman. Op grond van de CAO dient de arbeidsovereenkomst schriftelijk te worden aangegaan, hetgeen niet het geval is geweest. Op 5 februari 2002 ondertekent de inmiddels arbeidsongeschikte werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, op grond waarvan zijn arbeidsovereenkomst met ingang van die dag is geëindigd. De werknemer maakt bezwaar tegen deze gang van zaken en vordert doorbetaling van loon, stellende dat hij voor onbepaalde tijd in dienst is getreden. Voor het geval de door hem getekende arbeidsovereenkomst een beëindigingsovereenkomst is, beroept de werknemer zich op dwaling respectievelijk misbruik van omstandigheden. De kantonrechter stelt dat een arbeidsovereenkomst in beginsel niet schriftelijk behoeft te worden overeengekomen, doch dat in dit geval de CAO dit voorschrijft. Het nadien schriftelijk vastleggen van de arbeidsovereenkomst voldoet niet aan de CAO-verplichting. Ook op grond van art. 7:655 BW dient de arbeidsovereenkomst schriftelijk te worden vastgelegd en wel binnen één maand na aanvang van de werkzaamheden. Bovendien dient de werkgever op grond van goed werkgeverschap de werknemer duidelijk kenbaar te maken onder welke voorwaarden hij is aangenomen. Onduidelijkheid over de inhoud van de arbeidsovereenkomst komt in beginsel voor risico van de werkgever en op grond hiervan dient de werkgever te bewijzen dat er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar is overeengekomen. Dat de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend, doet daar niet aan af, temeer daar de werknemer arbeidsongeschikt was en de ondertekening, gezien de financiële gevolgen, met grote terughoudendheid moet worden beoordeeld. De kantonrechter draagt de werkgever op te bewijzen dat tijdens het sollicitatiegesprek met de werknemer is overeengekomen dat hij voor één jaar in dienst zou treden.

Terug naar overzicht