Kantonrechter Zwolle 21-05-2002 (Boele), JAR 2002, 146


Ontbinding gewichtige redenen. Rekest civiel. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 146.

Bij beschikking van 25 februari 2002 heeft de kantonrechter, conform het verzoek van partijen, de arbeidsovereenkomst tussen hen ontbonden per 1 maart 2002 onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer van € 64.507,62. Voorafgaande aan het ontbindingsverzoek had de werkgever de werknemer bij brief van 1 februari 2002 beëindiging van het dienstverband met deze vergoeding voorgesteld, waarbij zij heeft aangegeven dat uitgangspunt bij toekenning van de vergoeding is dat op het moment dat overeenstemming wordt bereikt, de werknemer nog geen concreet vooruitzicht heeft op aanvaarding van een werkkring elders. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal de hoogte van de vergoeding afhankelijk zijn van de arbeidsvoorwaarden in de nieuwe werkkring. De werknemer heeft op 4 februari met het voorstel ingestemd. Op 1 februari heeft de werknemer zich laten inschrijven in het handelsregister als drijver van een eenmanszaak op zijn vakgebied. Op 13 april 2002 heeft hij zijn winkel geopend. De werkgever stelt dat sprake is van bedrog omdat de werknemer dit niet heeft meegedeeld en verzoekt herroeping van de beschikking. De kantonrechter is van oordeel dat, nu de informatieplicht van de werknemer betrekking had op aanvaarding van een werkkring elders, deze verplichting ook geacht moet worden betrekking te hebben op een werkkring in de vorm van het opzetten van een eigen onderneming. Uit de feiten vloeit voort dat de werknemer begin februari zekerheid had over zijn toekomstplannen. Hij had daarom hiervan melding moeten maken bij de werkgever. De strekking van een vergoeding is immers in de eerste plaats compensatie voor het verlies van inkomen als nog geen zicht bestaat op een andere bron van inkomsten. Eén en ander neemt niet weg dat de werknemer in de eerste periode van zelfstandig ondernemerschap nog geen zekerheid had over zijn inkomen. De werkgever was immers bereid om dan een nader te bepalen (lagere) vergoeding aan te bieden. Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat sprake is van "bedrog" in de zin van art. 382 Rv, zodat het geding heropend dient te worden.

Terug naar overzicht