Kantonrechter Zwolle 24-01-2000 (De Vries), Prg. 2000, 5432


Ontbinding gewichtige redenen. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Concurrentie. Schadeloosstelling.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een 46-jarige vestigingsmanager (19 jaar in dienst, salaris NLG 9.551,-- bruto per maand) omdat zijn functie als gevolg van reorganisatie komt te vervallen. De kantonrechter wijst het verzoek af. De werkgever verzoekt vervolgens weer ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de inmiddels op non-actief gestelde werknemer, op grond van dringende reden en subsidiair op grond van gewijzigde omstandigheden. De werknemer zou volgens het verslag van een bedrijfsrecherchebureau in strijd met de bedrijfsregels hebben gehandeld. De werknemer stelt dat na afwijzing van het eerste ontbindingsverzoek de werkgever een loopgravenoorlog is begonnen en dat het tegen die achtergrond opgemaakte rapport met terughouding moet worden beoordeeld. De daarin opgenomen verklaringen zijn van collega's die zelf boter op hun hoofd hebben en er belang bij hebben de door hen zelf gepleegde onregelmatigheden de werknemer in de schoenen te schuiven. De werknemer acht het onaannemelijk dat de werkgever 18 jaar onwetend zou zijn geweest over de gang van zaken binnen de vestiging waarin hij werkzaam was. De werknemer verzoekt eveneens ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding met een vergoeding van 63 maandsalarissen (C=3). De kantonrechter overweegt ten aanzien van de reorganisatie dat de werkgever een zekere beleidsvrijheid heeft inzake de vraag of de werknemer in aanmerking komt voor een zwaardere functie. De werkgever heeft echter niet duidelijk en onderbouwd diverse alternatieve functies aangeboden. Met betrekking tot het rapport van het bedrijfsrecherchebureau overweegt de kantonrechter dat aannemelijk is geworden dat de werknemer heeft gefungeerd als contactpersoon tussen de concurrent en een voormalige klant van de werkgever. Gezien zijn dubieuze rol in die relatie dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden met een vergoeding van NLG 100.000,-- bruto. Voor het geval de werkgever het verzoek intrekt (hij heeft immers geen vergoeding aangeboden) is het verzoek van de werknemer toewijsbaar, nu deze geen mogelijkheid ziet in verdere samenwerking. In dat geval acht de kantonrechter dezelfde vergoeding van NLG 100.000,-- bruto billijk.

Terug naar overzicht