Kantonrechter Zwolle 31-03-2003 (De Vries), JAR 2003, 124


Detachering in het buitenland. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Smartengeld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 124.

De werknemer, 54 jaar oud, is op 1 maart 1999 bij de werkgever in dienst getreden, aanvankelijk als administratief opbouwwerker in opleiding en vanaf 27 december 1999 als administratief opbouwwerker in Indonesië, laatstelijk tegen een salaris van € 3.330,29 bruto per maand exclusief vakantietoeslag. De werkgever houdt zich buiten Nederland bezig met hulpverlening in gebieden waarin door Nederlandse kerken evangelieverkondiging plaatsvindt. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat er tussen werknemers en de zendingsmedewerkers met wie hij moet samenwerken een onoplosbaar conflict is gerezen. De werknemer verzet zich tegen ontbinding en merkt onder meer op dat hij voor tenminste vier jaar zou worden uitgezonden en met het oog daarop verschillende voorzieningen heeft getroffen, zoals de verkoop van zijn huis in Nederland en de koop van een huis in Indonesië. Mede gezien de verklaringen ter zitting is naar het oordeel van de kantonrechter aannemelijk geworden dat de verhoudingen in het team zodanig verstoord zijn geraakt dat ontbinding gerechtvaardigd is. De kantonrechter is van mening dat dit niet geheel aan de werknemer is te wijten. De werkgever heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werknemer zijn functie niet goed vervuld heeft. Blijkbaar is de werknemer gestuit op onverenigbaarheid van karakters met één van de Indonesië werkzame predikanten. Dit kan hem niet zonder meer worden verweten. Ditzelfde geldt voor het feit dat de andere predikanten de werknemer kennelijk als teamwerker niet hoog hebben ingeschat. De werkgever treft evenmin een verwijt van de verstoorde arbeidsrelatie. Er is daarom grond voor toekenning van een vergoeding volgens de neutrale formule. Daarbij kunnen de speciale omstandigheden gekoppeld aan uitzending van een werknemer naar het buitenland niet worden genegeerd. De werknemer heeft er belang bij dat hij nog gedurende zes maanden niet genoodzaakt is naar Nederland te repatriëren. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te bepalen op zes maanden na 1 april 2003, dat wil zeggen per 1 oktober 2003, zonder toekenning van een verdere vergoeding. Wel kan de werknemer uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een repatriëringsvergoeding van 25% van zijn jaarsalaris. Voor toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade is geen plaats.

Verder lezen
Terug naar overzicht