NBSTRAF 2017/132, Hoge Raad 14-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:418, 3999.15 (met annotatie van dr. mr. L.E.M. Hendriks)

Inhoudsindicatie

Hulp bij zelfdoding, Arts, Noodtoestand

Samenvatting

Zaak Heringa. Het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie zijn strafbaar gesteld bij art. 293 en art. 294 Sr. Het feit is niet strafbaar indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293 lid 2 Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2 lid 1 Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL). Aldus heeft de wetgever een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. De niet-strafbaarheid en de daarmee samenhangende zorgvuldigheidseisen hebben uitsluitend betrekking op levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding door artsen en zijn onder meer gericht op een door de betrokken arts te verrichten toetsing van het vrijwillige en weloverwogen karakter van het verzoek tot levensbeëindiging alsmede op het consulteren van een andere, onafhankelijke arts. De beoordeling of de betrokken arts de zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen, geschiedt primair door een multidisciplinair samengestelde regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en art. 294 Sr genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist. Dat kan het geval zijn indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard, mede in het licht van de omstandigheid dat de wetgever naar huidig recht heeft voorzien in een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Het eerbiedigen van deze terughoudendheid bij de aanvaarding van een dergelijk beroep op noodtoestand is tevens geboden in het licht van het maatschappelijke en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Het Hof heeft bij zijn beoordeling van het handelen van de verdachte in essentie niet wezenlijk meer gedaan dan het als referentiekader hanteren van de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen, hoewel de verdachte in de bijzondere positie verkeerde dat hij de – in de huidige wetgeving cruciale – hoedanigheid van arts miste. Het is niet begrijpelijk dat het Hof het slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden beroep op noodtoestand in de onderhavige omstandigheden gegrond heeft bevonden, waarbij nog wordt daargelaten dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de verdachte zelfs niet heeft voldaan aan de vereisten van het door het Hof gehanteerde kader.

Uitspraak

2. Bestreden uitspraak

2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

“Mevrouw M. Heringa-Van der Borgh (verder: mw. Heringa) in de periode van 7 juni 2008 tot en met 8 juni 2008 in Ermelo zelfdoding heeft gepleegd (door het innemen van een combinatie van pillen),

waarbij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008, in Ermelo en/of in Midlaren en/of in Ede, althans in Nederland,

opzettelijk mw. Heringa behulpzaam is geweest en opzettelijk mw. Heringa middelen daartoe heeft verschaft,

terwijl die zelfdoding daarop is gevolgd,

immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk:

– contact gelegd met de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde (verder: NVVE) en afspraken gemaakt voor een bezoek van een consulent van de NVVE aan mw. Heringa en/of aan verdachte, welke consulent mw. Heringa en verdachte heeft geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding

en

– een publicatie van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (verder: WOZZ), uitgave 2008, getiteld ‘Informatie over zorgvuldige levensbeëindiging’, aangeschaft en geraadpleegd en gebruikt ten behoeve van de (wijze van) zelfdoding van mw. Heringa

en

– mw. Heringa geïnformeerd over (een) methode(n) van zelfdoding en de wijze waarop zelfdoding kan plaatsvinden

en

– een dag gepland (tezamen met mw. Heringa) waarop de zelfdoding door inname van een hoeveelheid pillen zou plaatsvinden

en

– een protocol/handleiding opgesteld, met betrekking tot de wijze van uitvoeren van de zelfdoding

en

– voorafgaand aan en tijdens de uitvoering van de zelfdoding van mw. Heringa, mw. Heringa instructies en aanwijzingen gegeven omtrent de tijd en wijze van innemen van de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen

en

– aan mw. Heringa (een deel van) de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen verstrekt, namelijk ongeveer 4 zogenaamde anti braak pillen en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen en ongeveer 45 Oxazepam pillen en ongeveer 35 Temazepam pillen

en

ongeveer 45 Oxazepam pillen fijn gemaakt in een bakje en vervolgens yoghurt in dat bakje gedaan en ongeveer 75 Nivaquine/Chloroquine pillen in dat bakje gedaan en dit bakje met genoemde inhoud aangereikt aan mw. Heringa

en

– ongeveer 35 Temazepam pillen in een bakje gedaan en aangereikt aan mw. Heringa

en

– drinken aan mw. Heringa aangereikt om de voor de zelfdoding benodigde/te gebruiken pillen mee weg te spoelen.”

2.2. De bewijsvoering van het Hof houdt het volgende in. De verdachte is – zonder de hoedanigheid van arts te bezitten – zijn 99-jarige (stief)moeder, mevrouw Heringa, behulpzaam geweest bij zelfdoding. Zij koesterde al langere tijd de wens haar leven te beëindigen. Gesprekken tussen mevrouw Heringa en haar huisarts hebben, ondanks de daartoe strekkende wens van mevrouw Heringa, niet ertoe geleid dat door de huisarts medewerking is verleend aan euthanasie. Wel is naar aanleiding van deze gesprekken medicatie voor hart- en nierproblemen stopgezet. Na het overlijden van mevrouw Heringa heeft de huisarts verklaard, kort gezegd, dat zij geen medewerking aan euthanasie heeft verleend omdat mevrouw Heringa weliswaar als gevolg van hart- en nierproblemen en hoge leeftijd een beperkte levensverwachting had, maar dat haar wens tot levensbeëindiging in hoofdzaak werd ingegeven doordat zij vond dat haar leven was voltooid.

2.3.1. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als “opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam zijn en die ander de middelen tot zelfdoding verschaffen, terwijl de zelfdoding volgt”.

2.3.2. Vervolgens heeft het Hof de verdachte wegens de gegrondbevinding van diens beroep op noodtoestand ontslagen van alle rechtsvervolging en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Evenals in eerste aanleg is ook in hoger beroep namens verdachte een beroep gedaan op overmacht in de vorm van noodtoestand.

Daartoe heeft de verdediging, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte moest kiezen tussen onderling strijdende plichten en belangen, te weten enerzijds de plicht om de wet (artikel 294 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) na te leven en anderzijds de ongeschreven morele plicht/maatschappelijke plicht/zorgplicht om zijn 99-jarige moeder te helpen bij het realiseren van haar wens tot een pijnloze, vredige en waardige dood. Verdachte heeft het laatste als het zwaarst wegende laten prevaleren. Bij de afweging van de in het geding zijnde belangen hebben voor verdachte blijkens de door hem afgelegde verklaringen de volgende punten een gewichtige rol gespeeld.

– Zijn moeder was 99 jaar en wilde absoluut geen 100 jaar meer worden. Zij was hierin volstrekt helder en duidelijk;

– Haar besluit was vrijwillig, weloverwogen en persistent;

– De laatste jaren was verdachte haar enige vertrouwenspersoon. Derhalve was verdachte de enige die handelend zou kunnen optreden bij het realiseren van haar doodswens;

– Zijn moeder had voortdurend de regie. Dit vloeide mede voort uit haar persoon, persoonlijkheid en karakter;

– Verdachte zag haar lijden, haar wanhoop, haar pijn en haar machteloosheid. Zij had het gevoel in deze situatie door iedereen in de steek te worden gelaten;

– Zijn moeder was grotendeels afhankelijk van anderen en gebonden aan kamer en bed;

– Zij was zelf absoluut niet in staat de voor een geslaagde zelfdoding benodigde medicijnen te verzamelen terwijl de pillen die zij reeds had verzameld, onvoldoende en volstrekt ongeschikt waren om de dood te realiseren;

– Verdachte voelde een zorgplicht ten opzichte van zijn moeder, die zelf juist altijd zo goed voor hem had gezorgd;

– Er ontstond bij verdachte aldus een conflict tussen hoofd en hart;

– Verdachte kon in deze situatie niet passief blijven, achterover leunen en nietsdoen en tegelijkertijd haar lijden aanschouwen; dit zou bij hem zijn leven lang grote schuldgevoelens veroorzaken.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt, omdat niet aannemelijk is geworden dat er geen alternatieven voorhanden waren. De verklaring van de huisarts, afgelegd bij de raadsheer-commissaris, dat zij in dit geval geen medewerking aan euthanasie wilde verlenen, maakt dit standpunt niet anders.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn eerdere beslissing inzake hulp bij zelfdoding van 17 februari 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012:BV6139, voorheen LJN BV6139) heeft het hof het volgende overwogen.

‘Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. In een geval als het onderhavige waarin de wetgever een bijzondere regeling heeft getroffen voor de afweging van de aan de naleving van de wet verbonden nadelen – in casu in de vorm van de mogelijkheid dat een arts onder strikte voorwaarden hulp biedt bij zelfdoding – is een beroep op noodtoestand niet zonder meer uitgesloten, maar een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard. De manoeuvreerruimte van de rechter is in zo’n geval uitermate klein. Iemand die geen arts is, kan...geen geslaagd beroep op noodtoestand doen behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden.’

Voor het aannemen van het bestaan van een strafrechtelijk relevante noodtoestand is vereist dat er sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele concrete nood door een conflict van belangen of plichten, welke gedraging bovendien voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De wetgever heeft voor artsen voorwaarden geformuleerd bij de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 293 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht: zij moeten voldoen aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (de WTL), en mededeling doen van het levensbeëindigend handelen of hulpverlening bij zelfdoding aan de gemeentelijke lijkschouwer.

Verdachte is echter geen arts.

Het hof zal bij het beoordelen van het handelen van verdachte de zorgvuldigheidseisen en de mededelingsplicht uit de WTL als referentiekader bij de toetsing hanteren, nu daarin de verschillende aspecten van nood, proportionaliteit en subsidiariteit bij hulp bij zelfdoding tot uitdrukking komen, zonder daarbij de bijzondere positie van verdachte als niet-medicus en bovendien zoon van de hulpvraagster, uit het oog te verliezen.

De zorgvuldigheidseisen uit de WTL houden in dat de arts:

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,

b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,

c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,

d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,

e. tenminste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en

f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Ad a: Het hof is van oordeel dat verdachte op voldoende objectieve gronden de overtuiging heeft gekregen dat zijn moeder al langere tijd de wens koesterde haar leven te beëindigen, dat zij daar vrijwillig voor koos zonder druk van buitenaf en dat zijn moeder daarenboven ook weloverwogen tot deze doodswens was gekomen en hierin volhardde.

Het hof baseert dit oordeel op de volgende dossieronderdelen:

– de verklaring van verdachte bij zijn politieverhoor op 23 februari 2010, voor zover inhoudend:

‘V: Wanneer kwam het voor het eerst ter sprake dat zij niet verder wilde leven?

A: Dat is heel geleidelijk aan gekomen. Een jaar of tien geleden zei ze al wel dat het genoeg was geweest. Toen was het nog niet heel dringend, meer de wens om niet wakker te worden. Voor mij werd het acuut op het moment dat ze zei: “Dat hoop ik niet meer mee te maken.”

Ze zei dat toen ze hoorde dat mijn dochter Sandra haar tweede kindje zou krijgen. Toen werd voor mij heel duidelijk hoe serieus ze was met haar gevoel. Daarvoor had ze al gezegd dat ze de verhuizing niet meer hoopte mee te maken naar de nieuwe kamer...

V: Wie bracht het als eerste ter sprake?

A: Dat deed ze zelf.

V: Waarom wilde ze niet meer verder leven?

A: ....Voor mij was het duidelijk dat het zo al genoeg was voor haar. Toen kwam die verhuizing erbij, waardoor ze ontworteld raakte. Daar kwamen die klachten bij. Er was ook wel een moment dat ze wakker werd en boos werd omdat ze dacht dat het ochtend was en men haar niet gewekt had. Op haar bellen kwam de nachtzuster en zei dat het half 12 ’s nachts was. Zij is daar ongelooflijk van geschrokken en was bang dat ze de regie kwijt was. Ik zei dat ik ook wel dingen vergat. Ze zei dat dat anders was. Ik denk dat ze erg bang was om dement te raken. ....

Dat gesprek zal ergens in november 2007 zijn geweest, toen bekend werd dat mijn tweede kleinkind er aan kwam. Ze zei dat het niet ging om het kleinkind. Ze wilde niet meer leven. Ze hoopte dat niet meer mee te maken. Ze wilde ook geen 100 worden. Ze wilde die poespas niet meer meemaken. Ik heb haar wel getracht gerust te stellen daarin, maar dat was niet genoeg blijkbaar...

V: Met wie heeft Moek dit nog meer besproken?

A: In ieder geval met mijn oudste dochter Sandra.

...

V: Met welke arts(en) heeft Moek dit besproken, wanneer?

A: Eigenlijk niet. Behalve in een later stadium, heb ik de huisarts gevraagd om langs te komen, de arts van Sonneheerdt. Ze heeft toen de vraag aan de arts gesteld, maar heel moeilijk omdat ze het lastig vond. Uiteindelijk heeft de arts dat uit haar getrokken...Mijn moeder wilde aan de arts vragen om haar te helpen om een einde aan haar leven te maken. Zij wilde euthanasie hebben. Maar om dat keihard te zeggen viel mijn moeder niet mee. Ze draaide er om heen. De huisarts benoemde de vraag uiteindelijk.

...

V: Wat was uw indruk over haar geestelijke vermogens toen zij daar over sprak?

A: Precies hetzelfde als anders. Ze wist precies wat ze wou. Ze is altijd hetzelfde geweest. Volledig toerekeningsvatbaar.

...

V: In hoeverre heeft uw moeder aan u gevraagd om haar te helpen om haar leven te beëindigen?

A: Dat weet ik eigenlijk niet zo heel goed. Ze gaf duidelijk aan dat ze er een eind aan wilde maken en dat ze het gevoel had dat de huisarts haar in de steek liet. Zo zat ze niet in elkaar dat ze dat concreet aan mij vroeg. Het was wel duidelijk dat ze dat graag wou. Nadat ze die pillen gespaard had, was ik overtuigd geraakt van haar drang om te willen stoppen met leven.’

– de geluids- en beeldopnamen die verdachte kort voor haar overlijden heeft gemaakt van zijn gesprekken met zijn moeder.

Deze geluidsopnamen zijn uitgewerkt in een proces-verbaal van bevindingen en bevatten onder andere de volgende passages:

‘-H: Maar ophouden met eten, dat vind je moeilijk?

– M: Ik weet zeker dat ik dat niet kan. ..Dan heb ik honger en ga ik eten....

– H: Ik vraag het daarom omdat mensen misschien zullen vragen waarom je dat niet gedaan hebt terwijl dat kan en als ik dan zeg, ja maar ze vond dat ze dat niet kon dan kunnen ze zeggen maar wilde ze dan wel dood. Is dat dan niet een bewijs dat ze eigenlijk toch niet dood wou.

– M: Nee, ik wil echt wel dood. Ik kijk er zelfs naar uit.

...

– H: Moek, ik wil nog even voor alle duidelijkheid...

– M: Ik citeer een hele toepasselijke,.. Ich bin, sprach jeder zum sterben bereit, ich bitte nicht um mein leben....

– H: ...Ik wil gewoon even duidelijk hebben dat je nu weet wat er gebeuren gaat en dat je ja zegt, ik wil dat.

– M: Ik heb je gezegd toch, dat ik er naar uit keek.

– H: Ja,ja.

– M: Ik ben er dus altijd toe bereid. Vind je mijn nachtpon mooi genoeg?

...

M: Albert, bedankt voor alles hoor, niet alleen voor nu, maar voor alles van jou, van je kind zijn af.’

De beeldopnamen waren in hun geheel te zien in de uitzending van Netwerk op 8 februari 2010. Het hof heeft van deze beelden in raadkamer kennisgenomen.

In het bijzonder op grond van deze beelden en de hiervoor aangehaalde geluidsopnamepassages is het hof tot de overtuiging gekomen dat mevrouw Heringa tot het laatste moment geestelijk helder is geweest en duidelijk wist wat zij wilde.

– de verklaring van Sandra, de dochter van verdachte, kleindochter van mevrouw Heringa:

‘V: Hoe was Haar psychische toestand in de jaren dat zij in Sonneheerdt verbleef?

A: Die was heel helder. Ik heb nauwelijks achteruitgang gezien...

V: Wanneer heeft mevrouw Heringa tegen uzelf gezegd, dat zij niet meer verder wilde leven?

A: Zij heeft een duidelijk signaal gegeven toen haar buurman in Sonneheerdt overleed. Ze zei toen: “Ik ben jaloers.” Daarna kwam ik in januari 2008 bij haar vertellen dat ik zwanger was van ons tweede kind. Ze zei: “Oh kind, dat hoop ik niet meer mee te maken”....Ik was teleurgesteld en geschrokken. Ze heeft toen later uitgelegd dat het meer was dat ze dan zag dat dat over zes maanden was en dat ze hoopte dat ze er dan niet meer zou zijn. Ze zei ook vaak dat ze geen 100 wilde worden.

...

Een week voor 7 juni 2008 kwamen we afscheid nemen.... Tijdens het afscheid nemen zei ze dingen als: “Dat het prima was zo en dat ze er naar uit keek”. Ze had er absoluut geen problemen mee.’

– de verklaring van Mary, dochter van verdachte, kleindochter van mevrouw Heringa:

‘... Wat mij opviel was dat Moek de laatste maanden zoveel vrolijker was. Dat merkte ik al toen ik er in april 2008 met haar over sprak. Ze wilde graag begrip voor haar beslissing om haar leven te beëindigen. Op het moment dat ik er vraagtekens bij zette, merkte ik dat ze daar geïrriteerd en verdrietig van werd.

...Ik wist dat ze al jaren een euthanasieverklaring had. Het was bij ons bekend dat ze uitzag naar het einde. Het was wel wat nieuws dat ze daarin actieve stappen zette....De juridische weg, versterven, had ze afgewezen.

...

Ze was die dag (6 juni 2008) heel opgewekt, afgezien van de pijn die ze had in haar rug. Toen ik afscheid van haar nam zei ze dat ze er naar uit zag.’

– de verklaring van Ria van Vezldhoven, consulent bij de NVVE:

‘Het derde gesprek heb ik gevoerd met mevrouw Heringa alleen. Het eerste kwartier heb ik met haar ...alleen gesproken. Later kwam haar zoon Albert Heringa op bezoek. In het eerste kwartier gaf mevrouw Heringa duidelijk aan dat ze haar leven wilde beëindigen. Dit deed ze overigens ook in de eerste twee gesprekken.’

– de brief van 24 maart 2010 van de huisarts, gericht aan Peter de Leeuw (lid van het politierechercheteam) voor zover inhoudende:

‘Ik ken mevrouw (Heringa) als een lieve, zelfstandige en dappere vrouw die niet veel klaagde. Ze was niet depressief en had geen andere psychiatrische aandoening. Ze wist heel goed wat ze wilde. Ze was tot het einde toe wilsbekwaam. Ze heeft mij vaak te kennen gegeven dat ze het leven moe was en hoopte niet meer 100 te worden. Ze heeft al jaren voor haar overlijden gevraagd om geen levensverlengende maatregelen meer te nemen en haar bij levensbedreigende situaties natuurlijk te laten overlijden. Op 8 februari 2008 heb ik een gesprek gehad met mevrouw en haar zoon. Mevrouw gaf in dit gesprek aan dat het leven voor haar geen zin meer had....Ze vroeg mij om haar medicatie voor te schrijven om haar leven te beëindigen. Ik heb haar aangegeven dat ik hier moeite mee had. Ze had weliswaar een beperkte levensverwachting door haar hart- en nierproblemen en hoge leeftijd maar ik heb veel moeite om in deze situatie mee te werken aan euthanasie. Op 4 april 2008 heb ik haar weer over dit onderwerp gesproken. Ze gaf aan van alle behandelingen die haar leven kunnen verlengen af te willen zien en enkel palliatieve zorg te willen. Daarop hebben we haar hart- en niermedicatie gestopt. Op 31 mei hebben we weer een gesprek gehad waarin mevrouw uitdrukkelijk aangaf niet meer verder te willen leven. Ze heeft toen ook de papieren van een behandelverbod ondertekend en dit is ook met de verzorging van het huis besproken. Mevrouw wist in al deze gesprekken heel goed te zeggen wat ze wilde en kon de consequenties van deze afspraken goed overzien. Ze was niet depressief maar heel duidelijk in haar wens om te sterven. Ondanks pogingen om het haar meer naar de zin te maken bleef zij persisteren in haar wens. Ze vond dat haar leven voltooid was en dat verder leven geen zin meer had.’

Ad b: Het hof is voorts van oordeel dat er uit het dossier voldoende aanwijzingen te putten zijn dat er bij mevrouw Heringa sprake was van zeer ernstig fysiek en psychisch lijden dat, gemeten naar de huidige maatstaven, met een grote mate van waarschijnlijkheid zou voldoen aan het vereiste onder b voor het straffeloos toepassen van euthanasie en/of hulp bij zelfdoding door een medicus.

Het hof baseert zich voor dit oordeel, behalve op de hiervoor reeds aangehaalde delen van het dossier, ook op de volgende dossieronderdelen.

– de hiervoor vermelde brief van de huisarts, voor zover inhoudend:

‘Mevrouw (Heringa) leed aan hartfalen, waarvoor ze medicatie kreeg. Verder had zij osteoporose; haar ruggenwervels waren ingezakt en hierdoor had zij altijd veel rugklachten. Hiervoor gebruikte ze regelmatig pijnstillers en was ze beperkt met het bewegen. Mevrouw zag zeer slecht door maculadegeneratie. Ze was nagenoeg blind. Verder had ze een erg slechte nierfunctie (klaring 23), waardoor ze erg vermoeid was. Ook heeft ze een open been gehad.’

– de verklaring van de huisarts bij de raadsheer-commissaris op 3 februari 2015, voor zover inhoudende:

‘We hebben gekeken naar alternatieven: “pogingen om het haar meer naar de zin te maken”. Dan bedoel ik pogingen die ik kon doen om het haar meer naar de zin te maken in het leven. Maar er waren niet echt mogelijkheden daarin. Als u mij vraagt of er gesproken is over de mogelijkheid van “versterven”, dan zeg ik dat ik zeker weet dat ik dat wel een keer heb genoemd, maar dat vond ze geen prettige manier. Dat wees ze vrij resoluut van de hand. Ze wist wat het inhield. Ze was heel goed op de hoogte van alles.’

Ad c, d en e: Op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van verdachte en de getuigen Petrus Anemaen de huisarts staat naar het oordeel van het hof vast dat mevrouw Heringa voldoende was voorgelicht over de situatie waarin zij zich bevond en dat er in de gegeven situatie geen redelijke andere oplossing bestond om haar lijden te verlichten. Het hof ziet onder ogen dat voor verdachte, als niet-medicus, de subsidiariteitseis nog verder strekt: heeft hij voldoende onderzocht of, na de weigering van de huisarts, een andere arts bereid had kunnen zijn tot het verlenen van hulp?

Het hof heeft acht geslagen op de euthanasiewetgeving, de geldende jurisprudentie (waaronder het ‘Brongersma-arrest’) en de euthanasiepraktijk zoals die gold in 2008. In het dossier bevinden zich de jaarverslagen van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie over de jaren 2002 tot en met 2013.

Tot en met het jaar 2008 blijkt daaruit niet van euthanasieverlening in een met deze zaak vergelijkbaar geval. In eerste aanleg zijn de gehoorde deskundigen bevraagd op dit punt. Zij schetsen een beeld van een zeer terughoudende euthanasiepraktijk In 2008.

Het hof verwijst ook naar de volgende passage uit het dossier:

– de verklaring van de huisarts bij de raadsheer-commissaris op 3 februari 2015, voor zover inhoudende:

‘Door haar (mevrouw Heringa) of door mij is niet de mogelijkheid geopperd de vraag (om euthanasie) aan een andere arts voor te leggen. Ik heb dat niet voorgesteld omdat ik niet dacht dat een andere arts dat wel wilde doen. Ik dacht dat het binnen de wetgeving toen ook niet kon. Ik heb gekeken naar andere mogelijkheden, maar niet naar andere mogelijkheden van euthanasie. Je had toen geen levensklinieken of zo. Ik herinner mij dat het levensmoe zijn de hoofdreden was en niet het ziek zijn. Dat is wat het voor mij moeilijk maakte. Het was anders dan bij een zieke patiënt waar ik geen mogelijkheden heb voor behandeling.

Vraag: Besefte u dat er voor mevrouw Heringa die van mening was dat haar leven voltooid was, geen alternatieven waren?

Antwoord: Ja.

Vraag: Was het derhalve voor u al duidelijk dat er ten aanzien van mevrouw Heringa in het geheel geen euthanasie mogelijk was in 2008?

Antwoord: Ja.

Vraag: Hoe groot acht u de kans dat er een arts gevonden zou kunnen worden die op haar verzoek was ingegaan?

Antwoord: Die was niet aanwezig... Als u, RHC, mij vraagt of mevrouw Heringa in staat was om zonder hulp een einde aan haar leven te kunnen maken, zeg ik dat het heel lastig was voor haar om aan middelen te komen, denk ik. Ze was blind en woonde in een verzorgingstehuis; hoe moest ze dat voor elkaar krijgen? Als u, raadsman, aan mij vraagt of mevrouw Heringa met de medicijnen die ze door mij voorgeschreven kreeg een eind aan haar leven had kunnen maken is mijn antwoord: ik denk het niet. In ieder geval niet met zekerheid of snel en niet zonder kans op mislukking.’

Gezien de euthanasiewetgeving en -praktijk in 2008 alsook de inhoud van de hiervoor aangehaalde verklaring van de huisarts en de feitelijke toestand waarin verdachte’s moeder verkeerde, acht het hof het alleszins voorstelbaar dat verdachte na het contact met de huisarts geen andere arts meer heeft geraadpleegd.

De kans dat een andere arts onder de gegeven omstandigheden bereid zou zijn geweest om medewerking te verlenen aan de door verdachtes moeder gewenste zelfdoding, moet op grond van de hiervoor weergegeven passages uit het dossier ook naar het oordeel van het hof als theoretisch worden beschouwd.

Het hof is dan ook van oordeel dat verdachte samen met zijn moeder tot de gerechtvaardigde overtuiging is kunnen komen dat er geen redelijke andere oplossing bestond voor de situatie waarin zij, mevrouw Heringa zich bevond.

Ad f: Het hof stelt tenslotte vast dat verdachte, voor zover dat als niet-medicus in zijn vermogen lag, de hulp bij zijn moeders zelfdoding zorgvuldig heeft uitgevoerd.

Verdachte heeft allereerst contact opgenomen met de NVVE.

Hij heeft het WOZZ-boekje aangeschaft en aan de hand daarvan een ‘protocol’ opgesteld en dit doorgenomen met zijn moeder.

In dit protocol was aangegeven welke handelingen achtereenvolgens verricht moesten worden om tot een pijnloze zelfdoding te komen.

Verdachte heeft zich aan dit protocol gehouden.

Het hof verwijst in dit verband naar de verklaring van de deskundige Henricus Antonius Maria Manschot, hoogleraar filosofie en ethiek, afgelegd ter zitting van de rechtbank van 3 september 2013, voor zover inhoudende:

‘In 1998 ben ik begonnen, tot 2008 (als lid van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie). Ik heb ongeveer 2.500 dossiers van euthanasie bekeken...De vraag is eigenlijk: heeft hij (verdachte) het zorgvuldig gedaan? Ik heb geen argumenten die zeggen dat hij het niet zorgvuldig heeft gedaan.’

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat verdachte als niet-medicus voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Dat verdachte niet tot het laatste moment, dat waarop de dood intrad, bij zijn moeder is gebleven om bij een eventuele complicatie te kunnen ingrijpen en voorts dat hij geen mededeling heeft gedaan van de niet-natuurlijke dood van zijn moeder, doet aan die zorgvuldigheid niet af en is overigens te begrijpen in het licht van de door verdachte gerespecteerde wens van zijn moeder om haar leven te beëindigen zonder daaraan ruchtbaarheid te geven.

Ook acht het hof dit vanuit de positie van verdachte te begrijpen, opdat hij zelf niet onnodig zou worden blootgesteld aan strafvervolging.

Voor het geval dat verdachte zich uiteindelijk toch ooit nog strafrechtelijk zou moeten verantwoorden, heeft hij alles gedaan om zijn optreden op transparante wijze vast te leggen en zijn handelen aldus, ook voor de strafrechter, volkomen toetsbaar te maken.

Dat verdachte zich als gevolg van het door hem gevoelde conflict van plichten bevond in een actuele concrete nood, blijkt uit de hiervoor genoemde feiten, te weten de duidelijke en persistente doodswens van zijn moeder, haar zeer ernstig fysiek en psychisch lijden, gevoegd bij de omstandigheid dat er van artsen geen hulp te verwachten was en zij niet bij machte was om zelfstandig uitvoering te geven aan haar doodswens.

Deze nood werd acuut toen verdachte ongeveer veertien dagen na het eerste bezoek van Ria van Veldhoven ontdekte dat zijn moeder zelf pillen aan het verzamelen was en hem na enig onderzoek duidelijk werd dat deze medicijnen ongeschikt waren voor het door haar beoogde doel.

Verdachte heeft toen de plicht gevoeld om zijn moeder te helpen en heeft die plicht zwaarder laten wegen dan de plicht om de wet niet te overtreden.

Verdachte heeft dit conflict van plichten zelf prangend als volgt geformuleerd in zijn – zakelijk weergegeven – verklaring ter terechtzitting van het hof:

‘Pas toen ik geconfronteerd werd met het risico dat mijn moeder zelf de daad bij haar wens zou voegen, met de door haar bewust opgespaarde, maar ongeschikte eigen medicijnen, heb ik haar een alternatief aangeboden dat zekerder en veiliger was.’ En: ‘Dat ik daardoor de wet zou overtreden was voor mij minder zwaarwegend dan het horrorscenario dat de innige wens van mijn moeder zou mislukken en zou uitmonden in veel fysieke en psychische narigheid.’

Het hof komt tot de conclusie dat op grond van de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval het beroep op noodtoestand gegrond is.

Dat heeft tot gevolg dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert en dat verdachte dus moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof plaatst bij dit oordeel de kanttekening dat de onderhavige zaak gezien moet worden in het licht van de euthanasiepraktijk zoals deze in 2008 was. Deze lijkt een striktere te zijn geweest dan die welke bestaat ten tijde van wijzen van dit arrest.

In 2004 oordeelde de Hoge Raad in de zaak Brongersma, met een verwijzing naar het standpunt van de wetgever, dat gevallen van levensbeëindigend handelen door de arts bij levensmoeheid niet onder de reikwijdte van de Euthanasiewet vallen.

Van een beroep op de voor artsen geldende bijzondere strafuitsluitingsgrond kan volgens de Hoge Raad in dat arrest uit 2004 geen sprake zijn ‘indien het hulpvragen betreft die niet een ziekte of aandoening tot oorsprong hebben, omdat de specifieke deskundigheid van een arts zich zowel wat de diagnostiek als de behandeling betreft, uit haar aard niet tot dergelijke hulpvragen uitstrekt.’

Op 23 juni 2011 is echter het KNMG-rapport ‘De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde’ verschenen met daarin de volgende conclusie: ‘Het huidige wettelijke kader en de invulling van het begrip lijden is breder dan veel artsen tot op heden denken en toepassen. Kwetsbaarheid, inclusief dimensies als functieverlies, eenzaamheid en verlies van autonomie mogen verdisconteerd worden in de beoordeling door artsen van een verzoek om euthanasie. Deze niet lineaire optelsom van medische en niet medische problemen, die dikwijls elk op zich niet levensbedreigend of fataal zijn, kan leiden tot uitzichtloos en ondraaglijk lijden in de zin van de Euthanasiewet.’

Gelet op deze laatste ontwikkeling is het hof van oordeel dat er in de huidige tijd minder snel sprake zal kunnen zijn van een noodtoestand indien de hulpverlener in een geval als het onderhavige geen (tweede) arts heeft geconsulteerd.

Ten overvloede en tenslotte overweegt het hof nog het volgende.

De verdediging heeft als mogelijke grond voor een ontslag van alle rechtsvervolging ook nog aangevoerd dat de bepaling van artikel 294, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht wegens strijd met artikel 8, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in dit concrete geval buiten toepassing dient te worden verklaard en dat om die reden ontslag van rechtsvervolging dient te volgen wegens niet-strafbaarheid van het feit.

De verdediging heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Pretty tegen het Verenigd Koninkrijk, waaruit volgens de verdediging kan worden afgeleid dat onder de bescherming van artikel 8 EVRM (‘private life’) ook iemands ‘personal autonomy’ valt en de wens (toekomstig) fysiek en geestelijk lijden te beëindigen door een zelfverkozen levenseinde.

Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Koch tegen Duitsland kan vervolgens worden afgeleid, aldus de verdediging, dat ook naasten van personen met een wens van een zelfverkozen levenseinde (zoals in dit geval: verdachte) op basis van datzelfde artikel uit het EVRM bescherming toekomt.

De door de verdediging opgeworpen vraag of in het onderhavige geval toepassing van de nationale strafbepaling (artikel 294, tweede lid Wetboek van Strafrecht) in strijd is met de eerbiediging van het ‘private life’ van verdachte als naaste van zijn moeder bij haar zelfverkozen levenseinde en aldus deze strafbepaling buiten toepassing moet worden gelaten, kan hier verder buiten behandeling blijven nu immers het hof het handelen van verdachte reeds niet strafbaar acht vanwege een geslaagd beroep op noodtoestand.”

3. Juridisch kader

3.1. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang.

(i) Wetboek van Strafrecht:

– art. 293:

“1. Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.

2. Het in het eerste lid bedoelde feit is niet strafbaar, indien het is begaan door een arts die daarbij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding en hiervan mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging.”

– art. 294:

“1. Hij die opzettelijk een ander tot zelfdoding aanzet, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Hij die opzettelijk een ander bij zelfdoding behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfdoding volgt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. Artikel 293, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.”

(ii) Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding:

– art. 2 lid 1:

“De zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, houden in dat de arts:

a. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt,

b. de overtuiging heeft gekregen dat er sprake was van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt,

c. de patiënt heeft voorgelicht over de situatie waarin deze zich bevond en over diens vooruitzichten,

d. met de patiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevond geen redelijke andere oplossing was,

e. ten minste één andere, onafhankelijke arts heeft geraadpleegd, die de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in de onderdelen a tot en met d, en

f. de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig heeft uitgevoerd.”

– art. 3 lid 1:

“Er zijn regionale commissies voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, onderscheidenlijk 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht.”

– art. 8 lid 1:

“De commissie beoordeelt op basis van het verslag bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet op de lijkbezorging, of de arts die levensbeëindiging op verzoek heeft toegepast of hulp bij zelfdoding heeft verleend, heeft gehandeld overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2.”

(iii) Wet op de lijkbezorging:

– art. 7 lid 2:

“Indien het overlijden het gevolg was van de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in artikel 293, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 294, tweede lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafrecht, geeft de behandelende arts geen verklaring van overlijden af en doet hij van de oorzaak van dit overlijden onverwijld door invulling van een formulier mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer of een der gemeentelijke lijkschouwers. Bij de mededeling voegt de arts een beredeneerd verslag inzake de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen, bedoeld in artikel 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.”

3.2. De geschiedenis van de totstandkoming van voormelde Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (hierna: WTL), houdt onder meer het volgende in:

– de memorie van toelichting:

“Dit wetsvoorstel strekt ertoe in het Wetboek van Strafrecht een bijzondere strafuitsluitingsgrond op te nemen voor de arts die levensbeëindiging op verzoek toepast of hulp bij zelfdoding verleent en daarbij voldoet aan bepaalde zorgvuldigheidseisen (...). Teneinde te verzekeren dat dit handelen in alle gevallen aan toetsing achteraf is onderworpen, kan de arts zich slechts op deze bijzondere strafuitsluitingsgrond beroepen indien hij zijn handelen, meldt bij de gemeentelijke lijkschouwer en daarbij een verslag voegt bevattende een gemotiveerde uiteenzetting betreffende de inachtneming van die zorgvuldigheidseisen. Voorts voorziet het wetsvoorstel in toetsing achteraf van gemelde levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding door multidisciplinair samengestelde commissies.

(...)

Zoals gezegd strekt het wetsvoorstel ertoe te regelen, dat de arts die op zorgvuldige wijze euthanasie toepast of hulp bij zelfdoding verleent én dit vervolgens meldt aan de gemeentelijke lijkschouwer, voortaan straffeloos zal zijn. De opneming in het Wetboek van Strafrecht van een bijzondere strafuitsluitingsgrond in artikel 293, tweede lid, en in artikel 294, tweede lid, tweede volzin, laat de strafbaarheid van andere verschijningsvormen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding onverlet. De algemene stelling dat euthanasie en hulp bij zelfdoding niet langer strafbaar zullen zijn, is als zodanig dan ook geen juiste weergave van hetgeen met dit wetsvoorstel wordt beoogd.

(...)

De essentie van gerechtvaardigde levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, vormt het uitdrukkelijk verzoek daartoe van de patiënt. Dit verzoek is bij voorkeur schriftelijk vastgelegd, al is dit op zichzelf niet vereist voor het gerechtvaardigd zijn van de inwilliging ervan, zolang de patiënt in staat is zijn wil te uiten.

Het verzoek moet verder vrijwillig, weloverwogen en duurzaam zijn. Op een verzoek dat het resultaat is van een opwelling, een plotselinge, hevige gemoedstoestand, moet niet worden ingegaan. De duurzaamheid van het verzoek blijkt uit de herhaling ervan, ook nadat de arts met de patiënt over diens verzoek en over diens gezondheidstoestand heeft gesproken.

Een verzoek is vrijwillig geuit, indien dit zonder druk of invloed van anderen op de patiënt is geuit. Vrijwilligheid houdt voorts in, dat de patiënt in staat moet zijn geweest zijn wil volledig vrij te bepalen. Uitgangspunt is dat de patiënt zelf om euthanasie moet verzoeken. Het is zijn eigen vrijwillige beslissing. Nadat de arts zich ervan vergewist heeft dat de stervenswens vrijwillig, uitdrukkelijk en duurzaam is, is, zo kan men stellen, de toepassing van de euthanasie een beslissing die de patiënt en de arts in samenspraak hebben genomen. (...)

Voor de weloverwogenheid van het verzoek is verder van belang dat de patiënt volledig inzicht had in zijn ziekte, de gestelde diagnoses, de prognoses en de behandelmogelijkheden. De arts ziet erop toe dat de patiënt over deze zaken volledig geïnformeerd is. Deze voorlichting aan de patiënt is als eis nadrukkelijk opgenomen in onderdeel c. De arts dient ook met de patiënt te bespreken, welke alternatieven nog ter beschikking staan om het lijden van de patiënt te verlichten. Hierop ziet de zorgvuldigheidseis, opgenomen in onderdeel d. Deze zorgvuldigheidseis bevat twee elementen die van wezenlijk belang zijn voor het besluitvormingsproces met betrekking tot het toepassen van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding. Enerzijds drukt deze zorgvuldigheidseis uit dat dit besluitvormingsproces een zaak is van arts en patiënt samen. Juist waar het gaat om de afweging of aan de voorwaarden is voldaan waaronder euthanasie mogelijk is, in het bijzonder de vraag of er voor de patiënt geen andere uitweg meer is, achten wij de samenspraak tussen arts en patiënt van groot belang. De in deze eis tot uitdrukking komende samenspraak laat overigens de zelfstandige beslissing van de arts, en diens uitsluitende verantwoordelijkheid voor de toepassing van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, onverlet.

(...)

Het vereiste van consultatie houdt in dat de arts in ieder geval één andere arts raadpleegt over het voornemen om levensbeëindiging op verzoek toe te passen of hulp bij zelfdoding te verlenen. (...) De consulent dient zich een oordeel te vormen over de zorgvuldigheidseisen, zoals opgenomen in de onderdelen a tot en met d. De consulent wordt geacht zich uit te spreken enerzijds over de uitzichtloosheid en ondraaglijkheid van het lijden van de patiënt, waarbij ook de vraag of er nog alternatieven zijn ter verlichting van het lijden, in ogenschouw moet worden genomen. Anderzijds dient de consulent een oordeel te geven over de uitdrukkelijkheid en weloverwogenheid van het verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding.

Het vereiste van medisch zorgvuldige uitvoering omvat in de eerste plaats de medisch-technisch correcte toediening van de juiste middelen. In de tweede plaats moet de levensbeëindiging door de arts zelf worden uitgevoerd. De daarvoor vereiste handelingen mogen niet aan verpleegkundigen of aan omstanders worden overgelaten. Bij het verlenen van hulp bij zelfdoding wordt de arts geacht zelf aanwezig, of in de nabije omgeving beschikbaar te blijven, totdat de dood is ingetreden.

(...)

Voor de straffeloosheid van de arts is niet alleen vereist dat hij aan de zorgvuldigheidseisen, omschreven in artikel 2, voldoet, maar tevens dat hij van het toepassen van euthanasie of hulp bij zelfdoding mededeling doet aan de gemeentelijke lijkschouwer overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het tweede lid van de Wet op de lijkbezorging. Het melden van euthanasie en hulp bij zelfdoding is derhalve bestanddeel van de bijzondere strafuitsluitingsgrond. Hierin komt tot uitdrukking de in het algemeen, ook binnen de medische beroepsgroep, onderschreven notie dat euthanasie en hulp bij zelfdoding beslissingen rond het levenseinde betreffen die niet tot normaal medisch handelen behoren, maar een handelen betreffen dat maatschappelijk genormeerd is en derhalve maatschappelijk controleerbaar moet zijn.”

(Kamerstukken II, 1998-1999, 26 691, nr. 3, p. 1, 4-5, 8-10, 18)

– de nota naar aanleiding van het verslag:

“Voor degenen die geen beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 293, tweede lid kunnen doen, omdat zij de noodzakelijke hoedanigheid van arts niet bezitten, resteert de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht. Wij kunnen evenmin op voorhand uitsluiten dat een arts wiens beroep op de toepasselijkheid van de bijzondere strafuitsluitingsgrond faalt, zich alsnog op overmacht in de zin van artikel 40 (bij voorbeeld door middel van een beroep op overmacht als schulduitsluitingsgrond) kan beroepen. Over de kans dat een dergelijk beroep gehonoreerd zal worden is los van een concrete casus in zijn algemeenheid geen uitspraak te doen. Anders dan de leden van de CDA-fractie zijn wij van oordeel dat artikel 40 Sr. zijn gebruikelijke functie als algemene strafuitsluitingsgrond kan behouden.”

(Kamerstukken II, 1999-2000, 26 691, nr. 6, p. 44)

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat het beroep van de verdachte op overmacht in de zin van noodtoestand slaagt van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

4.2.1. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het verlenen van hulp bij zelfdoding en het toepassen van euthanasie zijn strafbaar gesteld bij art. 293 en art. 294 Sr, zoals deze artikelen ten tijde van het handelen van de verdachte luidden en ook thans nog luiden. Het feit is niet strafbaar indien het is begaan door een arts die heeft voldaan aan de in art. 293 lid 2 Sr genoemde zorgvuldigheidseisen van art. 2 lid 1 WTL. Zoals wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis, heeft de wetgever aldus een bijzonder stelsel van zorgvuldigheidseisen in het leven geroepen dat ertoe strekt de juiste balans te waarborgen tussen enerzijds het belang van persoonlijke autonomie van mensen die uitzichtloos en ondraaglijk lijden, en anderzijds de plicht van de overheid tot bescherming van het leven van individuele burgers. De genoemde niet-strafbaarheid en de daarmee samenhangende zorgvuldigheidseisen hebben uitsluitend betrekking op levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding door artsen en zijn onder andere gericht op een door de betrokken arts te verrichten toetsing van het vrijwillige en weloverwogen karakter van het verzoek tot levensbeëindiging alsmede op het consulteren van een andere, onafhankelijke arts. De beoordeling of de betrokken arts de zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen, geschiedt primair door een multidisciplinair samengestelde regionale commissie voor de toetsing van meldingen van gevallen van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. In verband daarmee voorziet art. 7 lid 2 Wet op de lijkbezorging in een op de betrokken arts rustende plicht tot melding aan de gemeentelijke lijkschouwer van levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding als bedoeld in art. 293 lid 2 onderscheidenlijk art. 294 lid 2 tweede volzin, Sr, bij welke melding een verslag dient te worden gevoegd betreffende de inachtneming van de zorgvuldigheidseisen.

4.2.2. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen in een individueel geval meebrengen dat gedragingen zoals de in art. 293 en art. 294 Sr genoemde handelingen die door de wetgever strafbaar zijn gesteld, niettemin gerechtvaardigd kunnen worden geacht, ook indien het feit is begaan door iemand die de hoedanigheid van arts mist. Dat kan het geval zijn indien moet worden aangenomen dat daarbij is gehandeld in noodtoestand, dat wil zeggen – in het algemeen gesproken – dat de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. Een dergelijk beroep zal slechts bij hoge uitzondering kunnen worden aanvaard, mede in het licht van de omstandigheid dat de wetgever naar huidig recht – zoals hiervoor is overwogen – heeft voorzien in een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften. Het eerbiedigen van deze terughoudendheid bij de aanvaarding van een dergelijk beroep op noodtoestand is tevens geboden in het licht van het – in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 in hoofdlijnen geschetste – maatschappelijke en politieke debat dat wordt gevoerd over levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.

4.3. Blijkens hetgeen onder 2.3.2 is aangehaald heeft het Hof bij zijn beoordeling van het handelen van de verdachte in essentie niet wezenlijk meer gedaan dan het als referentiekader hanteren van de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen, hoewel de verdachte in de bijzondere positie verkeerde dat hij de – in de huidige wetgeving cruciale – hoedanigheid van arts miste. Gelet hierop en, mede in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is vooropgesteld, is niet begrijpelijk dat het Hof het slechts bij hoge uitzondering te aanvaarden beroep op noodtoestand in de onderhavige omstandigheden gegrond heeft bevonden. Daarbij wordt nog daargelaten dat uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de verdachte zelfs niet heeft voldaan aan de vereisten van het door het Hof gehanteerde kader.

4.4. Het middel is terecht voorgesteld.

Noot

1. In deze zaak staat het lastige en maatschappelijk actuele vraagstuk van de hulp bij zelfdoding centraal waarbij in casu twee kwesties spelen; de hulp bij zelfdoding door een niet-arts en de hulp bij zelfdoding waarbij een wens tot levensbeëindiging niet (uitsluitend) is ingegeven door een medische oorzaak.

Het menselijk leven is in ons strafrecht een van de belangrijkste beschermde rechtsgoederen en dat zal ook geen verbazing wekken. Het is intussen vrij algemeen aanvaard dat in bijzondere situaties inbreuk op het menselijk leven toelaatbaar moet worden geacht in het kader van euthanasie of hulp bij zelfdoding; het gaat dan in elk geval om gevallen waarbij sprake is van ernstig en uitzichtloos lijden dat een medische oorzaak heeft. De wetgever heeft voor deze situaties een voorziening getroffen bij de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL; in werking getreden op 1 april 2002).

Bij de beoordeling van (en de totstandkoming van wetgeving bij) kwesties als deze spelen in zijn algemeenheid vele verschillende factoren een rol, zoals levensovertuiging, religie, emoties, medische beroepsethiek en het recht op zelfbeschikking. Het is voorzichtig gezegd een onderwerp dat op vele verschillende manieren kan worden en wordt benaderd en waarin het vinden van voor iedereen aanvaardbare compromissen geen sinecure is.

Voor meer theoretisch-dogmatische of ethische beschouwingen of zelfs een korte weergave van die maatschappelijke discussie is in het bestek van deze noot geen plaats. Ik verwijs de lezer daarvoor graag naar de conclusie van A-G Spronken met verdere verwijzingen (ook over onderhavige zaak).

2. Bij de WTL is in art. 293 lid 2 en art. 294 lid 2 Sr een algemene wettelijke strafuitsluitingsgrond in het leven geroepen voor de arts die actief betrokken is bij euthanasie of hulp bij zelfdoding. De arts die de delictsomschrijving vervult, is niet strafbaar indien is voldaan aan twee voorwaarden.

De eerste voorwaarde is het voldoen aan de criteria die zijn neergelegd in art. 2 lid 1 WTL en die hun oorsprong vinden in de eerder rechtspraak op dit punt. De arts moet – kort gezegd – de overtuiging hebben gekregen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt (a) en van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt (b), de patiënt hebben voorgelicht over diens situatie en vooruitzichten (c), tot de overtuiging zijn gekomen dat er geen redelijke andere oplossing was (d), een andere, onafhankelijke arts hebben geraadpleegd (e) en de levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding medisch zorgvuldig hebben uitgevoerd (f).

De tweede voorwaarde voor toepasselijkheid van de wettelijke strafuitsluitingsgrond is dat de arts van zijn of haar handelen melding moet maken bij de gemeentelijke lijkschouwer. Volgens de memorie van toelichting van de wet (TK 1998/99, 26 691, nr. 3, p. 18) wordt hiermee de algemeen aanvaarde notie tot uitdrukking gebracht dat “euthanasie en hulp bij zelfdoding beslissingen rond het levenseinde betreffen die niet tot normaal medisch handelen behoren, maar een handelen betreffen dat maatschappelijk genormeerd is en derhalve maatschappelijk controleerbaar moet zijn.”

Indien deze beide voorwaarden zijn vervuld, kan de arts met succes een beroep op de strafuitsluitingsgrond doen.

3. Daarmee heeft de wetgever een regeling getroffen voor de arts die in een dergelijke situatie verzeild raakt. En hoe zit het dan met de niet-arts? Deze kan zich immers niet op de in art. 293 lid 2 Sr opgenomen strafuitsluitingsgrond beroepen. De vraag is dan of hij dan wel een beroep zou kunnen doen op de ‘gewone’ strafuitsluitingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand.

De heersende rechtspraak is dat dit inderdaad het geval is. Ook in de onderhavige zaak wordt dit met zoveel woorden aangegeven door zowel hof als Hoge Raad. De Hoge Raad geeft daarbij aan dat terughoudendheid is geboden, juist ook vanwege het gegeven dat de wetgever heeft “voorzien in een bijzondere en specifieke rechtvaardigingsgrond die zich beperkt tot het handelen van artsen en die nauw is verbonden met de deskundigheid alsmede de normen en ethiek van de medische professie alsook met een uitgewerkt stelsel van zorgvuldigheidseisen en procedurele voorschriften.” En volgens de Hoge Raad is deze terughoudendheid ook geboden in het licht van het door de A-G weergegeven maatschappelijke en politieke debat. Heel veel ruimte is er derhalve niet.

Die ruimte ontstaat in elk geval niet alleen al doordat een arts zijn of haar medewerking weigert en er daardoor voor de betrokkene een duivels dilemma ontstaat. In Hof Arnhem 17 februari 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV6139, werd met zoveel woorden overwogen dat het enkele feit dat een arts weigert zijn medewerking te verlenen op zich geen situatie op die een beroep op noodtoestand voor een niet-arts mogelijk maakt, “hoe schrijnend ook de situatie is van degene die zelfdoding wenst en daar hulp bij nodig heeft.”

4. In de onderhavige zaak kwam de kwestie van de hulp bij zelfdoding door een niet-arts voor het eerst tot de Hoge Raad. Het hof had in een uitvoerig gemotiveerd arrest noodtoestand aangenomen. Het hof had – naar eigen zeggen zonder uit het oog te verliezen dat de verdachte geen arts was – de zorgvuldigheidseisen en de mededelingsplicht uit de WTL als referentiekader gehanteerd. Het liep vervolgens alle criteria uit art. 2 lid 1 WTL na en kwam tot de slotsom dat aan al deze criteria was voldaan binnen de mogelijkheden die de verdachte als niet-arts ter beschikking stonden.

In haar uitvoerige conclusie stelt A-G Spronken dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van de vraag of sprake is van noodtoestand en overweegt daarbij nog dat het begrijpelijk (en terecht) is dat het hof bij die beoordeling de zorgvuldigheidseisen van art. 2 WTL als referentiekader heeft gebruikt. Omdat het niet goed mogelijk algemene richtlijnen of uitgangspunten te formuleren wanneer van uitzonderlijke omstandigheden (die noodtoestand rechtvaardigen) sprake kan zijn, is met name de motivering van dat oordeel van belang, welke motivering in cassatie slechts op haar begrijpelijkheid kan worden getoetst. Vervolgens loopt zij de overwegingen van het hof na en komt tot de slotsom dat het hof het oordeel over de noodtoestand toereikend en begrijpelijk heeft gemotiveerd.

De Hoge Raad oordeelt evenwel anders. Hij stelt daartoe dat het hof in feite niet meer heeft gedaan dan het nalopen van de criteria die gelden voor een arts, terwijl de verdachte die cruciale hoedanigheid nu juist mist. En dan is het aannemen van noodtoestand volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk, mede gezien zijn overwegingen over de geboden terughoudendheid. Het lijkt me niet dat we uit deze uitspraak kunnen afleiden dat de Hoge Raad vindt dat bij hulp bij zelfdoding door een niet-arts de criteria uit de WTL (voor artsen) helemaal niet als referentiekader kan worden gebruikt. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de Hoge Raad eigenlijk vindt dat de toets verder moet gaan dan alleen maar aan de hand van dat referentiekader en wil de Hoge Raad hiermee tot uitdrukking brengen dat aan een beroep op noodtoestand door iemand die geen arts is zwaardere eisen mogen worden gesteld.

De Hoge Raad laat het hier overigens niet bij, maar wijst er nog fijntjes op dat “uit de vaststellingen van het Hof blijkt dat de verdachte zelfs niet heeft voldaan aan de vereisten van het door het Hof gehanteerde kader.” Of de Hoge Raad doelt op meer dan één van de vereisten is niet meteen duidelijk, maar we kunnen in elk geval vaststellen dat er niet is voldaan aan het vereiste van de melding bij de gemeentelijke lijkschouwer.

Duidelijk is dat de Hoge Raad de lat een stuk hoger legt dan het hof. Over hoe hoog de lat ligt, laat de Hoge Raad zich uiteraard niet uit. Dat zal een volgende zaak moeten uitwijzen.

5. Tot slot nog het volgende. Zoals we zagen is een van de voorwaarden uit de WTL dat sprake moet zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden (art. 2 lid 1 sub b WTL). In het arrest in de zaak-Brongersma (HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8772) overwoog de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis van de WTL blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd dat de WTL niet mede betrekking heeft op situaties waarin geen sprake is van medisch geclassificeerde somatische of psychische ziektes en aandoeningen. Dat standpunt is – als ik het goed zie – nog niet verlaten, ook al zou je het arrest van het hof als een poging daartoe kunnen zien. Ik wijs er maar even op dat in de visie van de A-G best kon worden geoordeeld dat hier sprake was van een medische oorzaak, waarbij van belang kon zijn dat artsen het begrip van ondraaglijk en uitzichtloos lijden breder zijn gaan interpreteren.

De maatschappelijke en politieke discussie over (de wens tot wetgeving inzake) levensbeëindiging bij een voltooid leven is in volle gang, getuige onder meer het rapport Voltooid leven van de commissie-Schnabel (januari 16), het kabinetsstandpunt hieromtrent (oktober 2016), het initiatief tot wetgeving (initiatiefwet Waardig Levenseinde) en recente berichten over scepsis bij de medische beroepsgroep (KNMG) over eventuele nieuwe wetgeving. De discussie over dit heikele onderwerp is dan ook nog lang niet uitgekristalliseerd, laat staan beslecht.

dr. mr. L.E.M. Hendriks, advocaat bij Wyck Advocaten te Maastricht

Verder lezen
Terug naar overzicht