NBSTRAF 2017/144, Hoge Raad 21-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:463, 5234.15 UA (met annotatie van mr. V.J.C. de Bruijn)

Inhoudsindicatie

Uitlevering, Vertrouwensbeginsel, Inbreuk op fundamentele rechten

Samenvatting

Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten, welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zal respecteren. In uitleveringszaken is het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten, voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de Uitleveringswet aan de minister toekent. Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt een beroep gedaan op een voltooide flagrante schending van verdragsbepaling, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op een verdragsbepaling, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de verdragsbepaling zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de minister dan wel de Gouverneur in zijn advies deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending. Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende onderscheidenlijk voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende van grondslag voorzien verweer is komen vast te staan (a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens (b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2 lid 3 aanhef en onder a IVBPR ten dienste staat. In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk een verdragsbepaling, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat. Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging.

Het middel klaagt terecht dat het Hof het gevoerde verweer op ondeugdelijke gronden heeft verworpen. De gegrondheid van het middel behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat het Hof het verweer dat de opgeëiste persoon door overheidsfunctionarissen van de verzoekende Staat is uitgelokt tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht, slechts had kunnen verwerpen. De uitleveringsrechter komt immers bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een reeds voltooide schending van een verdragsbepaling. Nu door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd dat zich de situatie voordoet dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel ten dienste staat, lijdt die regel in casu geen uitzondering.

Uitspraak

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van – naar de Hoge Raad begrijpt – de feiten zoals omschreven in de Affidavit in Support of Request for Extradition van Matthew Langley, Assistant United States Attorney for the Southern District of Florida, van 26 augustus 2015.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat een voltooide inbreuk op art. 6 EVRM niet kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging.

3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsvrouwe van de opgeëiste persoon aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnotitie. Die pleitnotitie houdt onder 19, 22 en 24 – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

“19. (...) De politie heeft zodanige druk op Romero P. uitgeoefend, ook na aanvankelijk weigeren, dat hij is uitgelokt tot het plegen van de feiten als tenlastegelegd in de VS.

22. (...) Er zijn geen indicaties om aan te nemen dat hij zonder actieve uitlokking van de politie wel deze zelfde strafbare feiten zou hebben begaan. In het gedrag van de DEA is de oorzaak van het strafbare feit gelegen, heeft de DEA dit rechtstreeks teweeg gebracht bij Romero P. en zou het zonder de DEA niet gepleegd zijn. Hun opzet was duidelijk gericht op het bewegen van Romero P. tot het begaan van dit strafbare feit: het grondfeit. Het wilsbesluit bij Romero P. is door de DEA opgewekt. Het bewegen van Romero P. is geschied door geld te beloven en het middel (nepcocaine) te verschaffen. Het nemen van initiatief in het contact met Romero P. is zijdens de politie, herhaling van aanbod ondanks aanvankelijk afslaan door Romero P., het bieden van significante bedragen en psychologische druk.

24. (...) Romero P. zou deze strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd niet hebben gepleegd als hij niet benaderd was door die DEA-agenten. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen van wel. De DEA is veel verder gegaan dan de passieve rol van undercover agent en heeft hem actief uitgelokt tot het met de politie in zee gaan (...)”

3.2.2. Het aldus aangevoerde is door het Hof als volgt samengevat en verworpen:

“De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) de uitlevering ontoelaatbaar kan worden verklaard indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico op een flagrante inbreuk op een hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Curaçao rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de uitlevering in de weg staat. Volgens de raadsvrouw is in dit geval duidelijk sprake van politiële uitlokking, waardoor op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de opgeëiste persoon van meet af aan het recht op een eerlijk proces is ontnomen en dus het vervolgingsrecht is vervallen. Nu niet kan worden getoetst of is gehandeld binnen de grenzen van de zogenoemde Tallon-criteria, is de vrees gerechtvaardigd dat op naleving van deze criteria na uitlevering onvoldoende acht zal worden geslagen, aldus de raadsvrouw.

De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de autoriteit die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan – in dit geval de Gouverneur van Curaçao – brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan artikel 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering (HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326). Het Hof verwerpt dus het verweer dat vanwege een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM moet worden geconcludeerd tot ontoelaatbaarheid van de uitlevering.

Voor zover het betoog van de raadsvrouw duidt op een mogelijke toekomstige schending, geldt dat aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat (HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3540 en 3543). Het standpunt van de raadsvrouw dat dit geval zich onderscheidt van dat in het hiervoor bedoelde arrest omdat het recht op vervolging (in de zin van de ontvankelijkheid van de vervolgende instantie) ter discussie staat en dus niet de rechtmatigheid van de bewijsvergaring, is niet steekhoudend. In beide gevallen gaat het om het al dan niet rechtmatig inzetten van opsporingsmiddelen en niet om de mogelijke consequenties van onrechtmatigheid daarvan, zoals het vervallen van het vervolgingsrecht of bewijsuitsluiting.”

 

3.3. Het middel klaagt terecht dat het kennelijke oordeel van het Hof dat uit HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV8326, NJ 2006/408 moet worden afgeleid dat “een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM” nimmer kan leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging, steunt op een onjuiste lezing van dat arrest. De Hoge Raad vindt hierin aanleiding zijn jurisprudentie met betrekking tot verweren over – kort gezegd – mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken op hoofdlijnen samen te vatten.

3.4. De hier relevante verdragsbepalingen luiden – voor zover hier van belang – in de Nederlandse vertaling als volgt:

– art. 6 lid 1 EVRM:

“Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.”

– art. 13 EVRM:

“Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”

– art. 2 lid 3 aanhef en onder a IVBPR:

“Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich:

a) Te verzekeren dat een ieder wiens rechten of vrijheden als in dit Verdrag erkend, worden geschonden een effectief rechtsmiddel ter beschikking heeft, zelfs indien de schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.”

– art. 14 lid 1 IVBPR:

“Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie.”

3.5. Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren (HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288, NbSr 2003/279). Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad is in uitleveringszaken – gelet op het systeem van de Uitleveringswet (hierna: UW), zoals daarvan blijkt uit de art. 8 en 10 UW, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet – het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRM voorbehouden aan de minister van Veiligheid en Justitie en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Er bestaat geen goede grond ten aanzien van die bevoegdheidstoedeling anders te oordelen in zaken waarin het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is, zij het dat het dan de Gouverneur is die de taken en bevoegdheden heeft welke de UW aan de minister toekent.

3.6. Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRM zijn toegekend, geldt het volgende.

A. Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14 lid 1 IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en).

B. (i) Indien het gaat om een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging en wordt aangevoerd dat in de desbetreffende strafzaak inbreuk dreigt te worden gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR, is het in de regel niet aan de uitleveringsrechter te oordelen over de gegrondheid van zo een beroep op een dreigende mensenrechtenschending. In een dergelijk geval moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat deze verdragsbepaling(en) zal eerbiedigen. Zo een verweer kan dus niet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering, zij het dat de uitleveringsrechter in het aangevoerde grond kan vinden de minister in zijn advies als bedoeld in art. 30 UW, dan wel de Gouverneur deelgenoot te maken van zijn opvatting omtrent het aan het uitleveringsverzoek te geven gevolg, waaronder in voorkomende gevallen begrepen het vragen van garanties aan de verzoekende Staat om een dergelijke dreigende schending te voorkomen.

(ii) Op grond van het vertrouwensbeginsel moet voorts worden aangenomen dat het rechtssysteem van de verzoekende Staat de opgeëiste persoon in staat stelt om na diens uitlevering ter strafvervolging een beroep op een mensenrechtenschending voor te leggen aan de rechter van de verzoekende Staat en dat deze daar dan een oordeel over geeft met het oog op de waarborging van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM onderscheidenlijk art. 14 lid 1 IVBPR. Daarbij verdient opmerking dat in geval van een uitlevering ter strafvervolging de vraag of inbreuk is gemaakt op het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces, in de regel eerst kan worden beantwoord na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende Staat, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter kan daarom in de regel niet toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide schending van art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR.

(iii) Het uitgangspunt dat in de gevallen waarin de uitlevering ter strafvervolging is gevraagd, de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende en/of voltooide mensenrechtenschendingen, kan evenwel uitzondering lijden indien naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan

(a) dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge deze verdragsbepalingen toekomend recht, en tevens

(b) dat hem na zijn uitlevering ter zake van die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM respectievelijk art. 2 lid 3 aanhef en onder a IVBPR ten dienste staat.

In zo een geval staat de op de landen van het Koninkrijk rustende verplichting om de uit voormelde verdragsbepaling(en) voortvloeiende rechten van de opgeëiste persoon te verzekeren in de weg aan de nakoming van de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering. Op grond van voormelde bevoegdheidstoedeling is het derhalve – kort gezegd – de uitleveringsrechter die tot oordelen is geroepen ingeval bij de behandeling van het uitleveringsverzoek ter zitting beroep is gedaan op het (dreigende) risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM onderscheidenlijk art. 14 lid 1 IVBPR, doch uitsluitend indien tevens is aangevoerd dat en waarom de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als vorenbedoeld ten dienste staat.

Daarbij moet worden aangetekend dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van blootstelling aan het risico van een flagrante inbreuk op art. 6 lid 1 EVRM die moet leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de gevraagde uitlevering ter strafvervolging. In dat verband kan worden gewezen op EHRM 17 januari 2012, Othman tegen V.K., nr. 8139/09, NJ 2013/360, rov. 259 waar gevallen zijn opgesomd waarin sprake is van een “flagrant denial of justice”.

3.7. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel terecht klaagt dat het Hof het gevoerde verweer op ondeugdelijke gronden heeft verworpen. De gegrondheid van het middel behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden omdat het Hof het verweer dat de opgeëiste persoon door overheidsfunctionarissen van de verzoekende Staat is uitgelokt tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor zijn uitlevering is verzocht (de zogenoemde entrapment defense in het Amerikaanse recht), slechts had kunnen verwerpen. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.6 sub B onder (ii) is vooropgesteld, komt de uitleveringsrechter immers bij een verzoek tot uitlevering ter strafvervolging in de regel niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer over een reeds voltooide schending van art. 6 lid 1 EVRM en/of art. 14 lid 1 IVBPR. Nu door of namens de opgeëiste persoon niet is aangevoerd dat zich de in 2.6 sub B onder (iii) bedoelde situatie zal voordoen, lijdt die regel in casu geen uitzondering.

3.8. De klacht is tevergeefs voorgesteld.

Noot

In dit arrest vat de Hoge Raad zijn jurisprudentie aangaande verweren over mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken op hoofdlijnen samen. Het gaat daarbij in het bijzonder om schendingen van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR (het recht op een eerlijk proces). De Hoge Raad gebruikt in het onderhavige arrest twee criteria om de rechtsgevolgen van mensenrechtenschendingen in uitleveringszaken te onderscheiden: (i) is er sprake van een tenuitvoerleggingsuitlevering of een vervolgingsuitlevering (zie art. 5 lid 1 Uw), en (ii) is er sprake van een voltooide mensenrechtenschending of een dreigende mensenrechtenschending. In eerdere rechtspraak onderscheidde de Hoge Raad daarnaast ook uitleveringen aan staten die partij zijn bij het EVRM, en aan staten die daar geen partij bij zijn (zie HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42). Dat onderscheid lijkt thans minder van belang.

Het onderscheid tussen een voltooide en dreigende schending van art. 6 EVRM is relevant voor de bevoegdheid de uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Bij een voltooide mensenrechtenschending is de uitleveringsrechter daartoe bevoegd – de verdediging tracht daarom vaak te betogen dat schendingen reeds voltooid zijn. In geval van een dreigende mensenrechtenschending kan de Minister van Veiligheid en Justitie de uitlevering ontoelaatbaar verklaren. De beleidsvrijheid daartoe wordt echter ingeperkt door verdragsverplichtingen en het EVRM. De uitleveringsrechter heeft bij dreigende mensenrechtenschendingen daarom een beperkte rol: de uitleveringsrechter kan de uitlevering ontoelaatbaar verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de toepasselijke verplichting tot uitlevering (zie bijv. HR 4 april 2006, NJ 2006, 408, m.nt. Klip). De achtergrond van de beperkte toetsing in geval van dreigende mensenrechtenschendingen is dus primair gelegen in de bevoegdheidsverdeling tussen de Minister en de uitleveringsrechter.

De beperkte toetsing bij dreigende mensenrechtenschendingen is voorts ingegeven door het vertrouwensbeginsel, dat inhoudt er in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de fundamentele rechten uit het EVRM en IVBPR zal eerbiedigen (mits verzoekende staat daarvoor voldoende garanties verstrekt, zie HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441), en voorts, dat in geval van schending van het art. 6 EVRM na de uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende staat (zie bij. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42).

Met de twee criteria van de Hoge Raad zijn dus vier casusposities te onderscheiden. De eerste casuspositie is een voltooide schending van art. 6 EVRM of art. 14 IVBPR bij een tenuitvoerleggingsuitlevering. In dat geval kan de uitleveringsrechter beslissen over de vraag of er sprake is van een voltooide flagrante mensenrechtenschending. Als daarvan sprake is, verklaart de uitleveringsrechter de uitlevering ontoelaatbaar. De strafprocedure is in dat geval reeds voltooid, en van een effectief rechtsmiddel zal in de regel dan ook geen sprake zijn. Bij een tenuitvoerleggingsuitlevering is het uitgangspunt overigens dat bijvoorbeeld de rechtmatigheid van het bewijs dat aan een veroordeling ten grondslag ligt, in de strafprocedure reeds had kunnen worden betwist (zie E. van Sliedrecht, J.M. Sjöcrona & A.M.M. Orie, Handboek internationaal strafrecht, Kluwer: Deventer 2008, p. 159).

De tweede casuspositie is een dreigende schending van art. 6 lid 1 EVRM of art. 14 lid 1 IVBPR bij een tenuitvoerleggingsuitlevering. De Hoge Raad bespreekt deze mogelijkheid niet expliciet. Een dreigende schending van het recht op een eerlijk proces bij een afgeronde procedure met een onherroepelijke uitkomst laat zich lastig voorstellen – de strafprocedure waarop art. 6 EVRM betrekking heeft is dan immers al voltooid.

De derde casuspositie is een dreigende schending van art. 6 lid 1 EVRM bij een vervolgingsuitlevering. Een voorbeeld daarvan is een uitlevering aan een staat waarin verklaringen van een verdachte die daaraan voorafgaand ten onrechte geen Salduz-bijstand heeft gehad, niet van het bewijs worden uitgesloten. De toetsing van de uitleveringsrechter is in dat geval vanwege de bevoegdheidsverdeling en het vertrouwensbeginsel uiterst beperkt. Uitgangspunt is dat de uitleveringsrechter in beginsel niet inhoudelijk oordeelt over een beroep op dreigende mensenrechtenschendingen bij vervolgingsuitleveringen. Dat uitgangspunt lijdt alleen uitzondering, als vaststaat dat dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante mensenrechtenschending (waar volgens de Hoge Raad niet snel sprake van is), en dat hij na zijn uitlevering geen daadwerkelijk, effectief rechtsmiddel daartegen heeft.

De vierde en laatste casuspositie is de voltooide schending van art. 6 EVRM bij een vervolgingsuitlevering. Dit geval doet zich in de praktijk ook nauwelijks voor. De Hoge Raad overweegt dat in de regel pas na de uitspraak van de strafrechter in de verzoekende staat kan worden vastgesteld of er sprake is van een voltooide mensenrechtenschending, omdat pas dan kan worden vastgesteld of de mensenrechtenschending niet (meer) vatbaar was voor herstel of compensatie. De uitleveringsrechter komt daarom veelal niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van een verweer dat sprake is van een reeds voltooide mensenrechtenschending – en valt dan terug op het hiervoor besproken criterium van een dreigende schending van art. 6 EVRM bij een vervolgingsuitlevering.

Deze lijn sluit aan bij de vaste rechtspraak van het EHRM, dat een schending van art. 6 EVRM vastgesteld wordt door de procedure als geheel in ogenschouw te nemen (verg. EHRM 23 oktober 1996, no. 17748/94, (Ankerl/Zwitserland)). Het gevolg daarvan is wel dat praktisch elke schending van art. 6 EVRM bij vervolgingsuitleveringen een dreigende schending is, omdat deze mogelijk nog geredresseerd wordt in de strafprocedure. De Hoge Raad verwijst hier naar het vertrouwensbeginsel, en maakt daarbij geen uitzondering voor bij het EVRM of IVBPR aangesloten staten (vgl. HR 11 maart 2003, NJ 2004, 42, waarin de Hoge Raad wat betreft de effectieve remedie alleen verwees naar bij het EVRM of IVBPR aangesloten staten). Bij niet bij het EVRM of IVBPR aangesloten staten moet dan mogelijk wel een garantie worden gegeven dat met betrekking tot voltooide mensenrechtenschending een daadwerkelijk, effectief rechtsmiddel openstaat (vgl. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441).

mr. V.J.C. de Bruijn, advocaat bij De Roos & Pen te Amsterdam

Terug naar overzicht