NBSTRAF 2017/168, Hoge Raad 04-04-2017, ECLI:NL:HR:2017:581, 5621.15 (met annotatie van mr. C.W. Noorduyn)

Inhoudsindicatie

Medeplegen poging moord

Samenvatting

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de slachtoffers, zoals is bewezenverklaard, en dat hij aan de bewezen verklaarde (poging) tot moord een zodanige intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten kan worden gesproken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd. Voorts geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte en zijn medeverdachten de bewezenverklaarde (poging tot) opzettelijke levensberoving met voorbedachte raad hebben begaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het, in het licht van de feiten en omstandigheden die het Hof omtrent de toedracht heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de overwegingen van het Hof tot uitdrukking is gebracht dat (ook) de verdachte vanaf de gezamenlijke voorbereidingen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het besluit om gebruik te maken van vuurwapens bij de actie op (de bewoner(s) van) de woonwagen en dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit kan volgen dat de verdachte niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen.

Uitspraak

2. Beoordeling van het tweede en het vierde middel

2.1. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde telkens ten aanzien van het medeplegen ontoereikend is gemotiveerd. Het voert daartoe aan dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat het opzet van de verdachte was gericht op de dood van Henkie P. en Anna G.. Het vierde middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde telkens wat betreft de voorbedachte raad onvoldoende met redenen is omkleed. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

“1. hij op 14 juli 2010 te Breda tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade Henkie P. (geboortedatum 12 maart 1998) van het leven heeft beroofd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels afgevuurd op de woonwagen waarin die Henkie P. zich bevond, ten gevolge waarvan voornoemde Henkie P. is overleden;

2. hij op 14 juli 2010 te Breda ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade Anna G. van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met vuurwapens kogels heeft afgevuurd op de woonwagen waarin Anna G. zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”

2.2.2. Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring – voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang – het volgende overwogen:

“Op 14 juli 2010, omstreeks 23.06 uur, is geschoten op de woonwagen van Gradus P., zijn vrouw Anna G. en hun zoon Henkie P., welke woonwagen gelegen is aan de T.straat 304 te Breda. Henkie P. en zijn moeder, Anna G., waren op dat moment op de benedenverdieping in de woonwagen aanwezig, aan de keukentafel.

Gradus P. bevond zich op de bovenverdieping, op zijn slaapkamer.

(...)

Op grond van het onderzoek van de politie en de door de nationale recherche (in het kader van het onderzoek Carneool) gemaakte beeldopnamen van de woonwagen met daarop tevens het schietincident, stelt het hof vast dat een groep van zeven personen schoten heeft afgevuurd. De schietpartij resulteerde in 27 inslagen in de woonwagen. Beschadigingen van schoten zijn onder andere aangetroffen in de voordeur, ramen, spiegel, voorraadkast, haldeur, bronzen beeld, kastdeurtjes keuken, schilderij woonkamer, ruit voorgevel, kast, vaas, eettafel met stoelen en zijgevel schuifpui.

Henkie P. is door een van de schoten geraakt, ten gevolge waarvan hij is overleden, zo blijkt uit de sectie van diens stoffelijk overschot. Anna G. is door een hagelkorrel gewond geraakt aan haar hoofd.

(...)

Voorbedachte raad

De vragen die vervolgens aan het hof ter beoordeling voorliggen zijn hoe het incident moet worden gekwalificeerd (moord of doodslag) en of verdachtes aanwezigheid moet worden gekwalificeerd als medeplegen dan wel medeplichtigheid. Daaromtrent overweegt het hof het volgende.

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat voorbedachte raad bewezen kan worden.

Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat een verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij voorafgaand aan het ten laste gelegde is benaderd om een bus te regelen. Deze bus was nodig in verband met een actie waarbij een man zou worden opgehaald, meegenomen, hardhandig een lesje geleerd en weer vrijgelaten. Verdachte heeft de personen die hem benaderden verteld dat hij een bus wist en hen in contact gebracht met medeverdachte Jannes van F. Op de dag zelf is verdachte in de bus meegegaan met de andere leden van de groep, op weg naar Breda. De groep had zich voorzien van tenminste acht wapens, waaronder een afgezaagd jachthagelgeweer merk Browning, twee aanvalsgeweren merk Zastava, twee pistolen merk Sig Sauer, twee pistolen merk Walther, en een riotgun merk Maverick. Voorts bevonden zich in de bus bivakmutsen, handschoenen, gehoorbeschermingsdoppen, handboeien, pepperspray, twee jerrycans met benzine, schietvesten en een strap extension set. De bus was voorzien van valse kentekenplaten en de ramen waren geblindeerd. Uit het dossier blijkt dat de leden van de groep beschikten over mobiele telefoons die eerst in de lucht kwamen op 14 juli 2010, enkele uren voorafgaand aan het incident, en die na afloop van het schietincident weer zijn uitgeschakeld. Voorts blijkt dat de groep de beschikking had over nog minstens één ander voertuig dat in de buurt van het incident door getuigen is gezien.

Het hof leidt hieruit af dat de personen die op 14 juli 2010 bij de woonwagen van Gradus P. aanwezig waren zich te voren hadden voorbereid op hun actie en dat sprake was van een vooropgezet plan. Het hof stelt voorts vast dat die voorbereiding mede omvatte tenminste acht wapens waaronder wapens van zwaar kaliber en mede omvatte beschermende kleding tegen vuurwapengeweld. Het hof leidt hieruit af dat de groep zich geprepareerd had op het gebruik van vuurwapens. Op de beelden van het schietincident is voorts waar te nemen dat de groep zich voor de woning opstelt en dat wapens gereed worden gehouden en dat de eerste man die gaat schieten zijn wapen op de woning heeft gericht.

Naar het oordeel van het hof kan uit deze feitelijke omstandigheden worden afgeleid dat in het kader van de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over het ontvoeren van de persoon die het doel was van de actie, maar dat ook rekening is gehouden met het gebruik van vuurwapens en dat derhalve sprake is geweest van gelegenheid om na te denken over de betekenis en de gevolgen van het gebruik van vuurwapens en zich daarvan rekenschap te geven. Dat levensberoving niet in eerste instantie het doel van de actie zou zijn geweest staat, anders dan de kennelijke opvatting van de verdediging, naar het oordeel van het hof niet in de weg aan het aannemen van voorbedachte raad, nu immers de groep bewapend voor de woonwagen is gaan staan en er derhalve vanuit gegaan kan worden dat rekening is gehouden met het gebruik van die vuurwapens.

Dat – zoals de verdediging heeft betoogd – de eerste persoon buiten de afspraak om is gaan schieten en de vervolgacties een soort paniekreactie zijn geweest op het eerste schot terwijl men zich uit de voeten maakt, is het hof niet aannemelijk geworden. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het schietincident blijkt namelijk dat de persoon met het petje het bordes van de woonwagen opgaat, de deur tracht te openen, daarop klopt en vervolgens krachtig tegen die deur trapt. In zijn hand is een voorwerp dat lijkt op een vuistvuurwapen zichtbaar. Anderen staan voor het bordes. Terwijl de persoon op het bordes tegen de deur trapt, richt de man met het geweer, die zich voor het bordes bevindt zijn vuurwapen op de woonwagen. Hij kijkt naar zijn wapen, richt opnieuw op de woning en vuurt een schot af. Hij lost nogmaals een schot. Een seconde later schiet een tweede persoon op de woonwagen. De groep begeeft zich richting de bus en schiet ondertussen door de ramen van de woonwagen. Vervolgens schiet een persoon uit de richting waar de personen naar toe zijn gelopen, nogmaals op de voorzijde van de woonwagen, waarna men de bus in stapt en zich verwijdert.

Uit het dossier is verder gebleken dat vanuit de woonwagen niet is geschoten. Volgens de verklaring van Anna G. werd er direct nadat tegen de voordeur was getrapt geschoten. Een aanleiding om, uit paniek of ter verdediging, te gaan schieten is het hof derhalve niet gebleken.

Voorts passen de omstandigheden dat persoon 2 (evenals persoon 1) is gaan schieten, dat tijdens het vertrek bij het bordes is geschoten en dat nog steeds wordt geschoten op de woonwagen, nadat men al richting de bus is gegaan, niet in een scenario dat de groep is weggevlucht na het horen van een onverwacht, ongepland schot. Eerder wijst dit naar het oordeel van het hof op een keuze van de groep om, nadat het niet gelukt is om binnen te komen, de woonwagen te beschieten.

Het is het hof gelet op het voorgaande derhalve niet gebleken dat het schieten ongepland is gebeurd of vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het schieten op een woonwagen, van welke de rolluiken open zijn en waarin de verlichting is aangestoken, met het kaliber wapens als waarvan is gebleken uit het dossier en met het aantal schoten dat onder meer op lichaamshoogte en van korte afstand is afgevuurd op voor- en zijgevel van de woonwagen, waaronder de voordeur en de ramen daarvan, kan naar het oordeel van het hof niet anders worden aangemerkt dan als een handeling die onmiskenbaar gericht is op de dood van personen die zich in die woonwagen bevinden.

Het hof concludeert dat opzettelijk en met voorbedachte raad is geschoten.

Medeplegen

Verdachte heeft naar voren gebracht dat er geen sprake is van medeplegen maar van medeplichtigheid nu hij slechts heeft gefunctioneerd als chauffeur, als extra man, dat hij niet beschikte over een wapen, dat hij uit nieuwsgierigheid is meegelopen met de rest en dat hij, toen er ineens geschoten werd, zich heeft gedistantieerd door weg te rennen. Dat hij geen wapen had zou blijken uit het feit dat op de beelden te zien is dat de persoon die hij aanwijst als zichzelf, aan zijn bivakmuts zit te ‘hannesen’ en daarbij niets in handen heeft.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Naast de vaststelling dat verdachte deel uitmaakte van de groep personen die op de woonwagen waarin de familie van Gradus P. aanwezig was heeft geschoten, stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast:

– verdachte is naar zijn zeggen van tevoren door derden betrokken bij en is ingelicht over een concreet plan;

– verdachte heeft daarop aangegeven dat hij een bus had;

– verdachte heeft de bij het schietincident betrokken Volkswagen Transporter geregeld door de derden in contact te brengen met de medeverdachte Jannes van F.;

– verdachte is op de dag van het schietincident 14 juli 2010 in de Transporter gestapt; hij zat daarin met zes anderen;

– verdachte droeg ten tijde van het incident een bivakmuts;

– verdachte heeft gezien dat er in de Transporter wapens aanwezig waren;

– hij zag dat de mannen in de Transporter, die uitstapten, wapens droegen;

– verdachte is uit de Transporter gestapt, en richting de woonwagen gelopen;

– hij heeft zich opgesteld tussen de anderen terwijl zichtbaar wapens werden gedragen en op de woning werden gericht;

– verdachte heeft schoenen en telefoons achtergelaten in de Transporter;

– verdachte heeft zich gelijktijdig met de anderen verwijderd.

Naar het oordeel van het hof is onder deze omstandigheden voldaan aan de vereisten voor medeplegen, in die zin dat er sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten. Naar het oordeel van het hof was verdachte intensief betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de actie en heeft hij daarmee een wezenlijke bijdrage geleverd. Verdachte is aanwezig geweest tijdens het incident en heeft zich met de anderen gelijktijdig verwijderd door in de bus plaats te nemen. Niet gebleken is dat verdachte zich op enig moment heeft gedistantieerd van de handelingen van de anderen. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of de persoon die verdachte op de beelden heeft aangewezen ook daadwerkelijk de verdachte is geweest, omdat voor die aanname geen objectieve aanknopingspunten in het dossier zijn aangetroffen. Of verdachte enkel de bestuurder was van de Transporter en of hij al dan niet een wapen heeft gedragen en zo ja, of hij daarmee heeft geschoten, kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven. Het hof houdt alle leden van de groep als medeplegers gelijkelijk verantwoordelijk voor het handelen van de groep als geheel.”

 

2.3.1. Mede blijkens de onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten, in bewuste en nauwe samenwerking met elkaar, op basis van een vooropgezet concreet plan om Gradus P. mee te nemen en hardhandig een lesje te leren, zich hebben geprepareerd op het gebruik van vuurwapens, dat deze voorbereiding tenminste acht wapens, waaronder wapens van zwaar kaliber, en beschermende kleding tegen vuurwapengeweld omvatte en dat de groep, onder wie de verdachte, zich voor de woonwagen heeft opgesteld, dat wapens gereed werden gehouden en dat de eerste man van de groep die ging schieten zijn wapen op de woning had gericht. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof hieruit afgeleid dat bij de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over het ontvoeren van de persoon die het doel was van de actie, maar dat de verdachte en zijn medeverdachten al tijdens de voorbereiding rekening hebben gehouden met en zich rekenschap hebben gegeven van het gebruik van die vuurwapens voor het geval dat nodig zou zijn, welk gebruik ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het Hof heeft voorts vastgesteld dat, toen het niet was gelukt de woonwagen binnen te dringen, direct door verschillende leden van de groep op lichaamshoogte en van korte afstand is geschoten op de verlichte ramen en de deur van de woonwagen, hetgeen resulteerde in 27 inslagen, en heeft het overwogen dat niet gebleken is dat het schieten ongepland is gebeurd, of vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, of uit paniek of ter verdediging, maar dat het veeleer berustte op een keuze van de groep om de woonwagen, op een tijdstip waarop de bewoners veelal thuis zijn en, naar is gebleken thuis waren, te beschieten.

Omtrent de rol van de verdachte heeft het Hof vastgesteld dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding en uitvoering van de actie, onder meer doordat hij de bij het schietincident betrokken Volkswagen Transporter heeft geregeld, hij samen met de medeverdachten in deze Volkswagen Transporter naar de woonwagen is gereden, hij aanwezig is geweest bij het schietincident, zich toen heeft opgesteld tussen de andere leden van de groep en hij zich na het schietincident gelijktijdig met de anderen heeft verwijderd.

2.3.2. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het Hof kunnen afleiden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van Henkie P. en Anna G., zoals is bewezenverklaard, en dat hij aan de bewezen verklaarde (poging) tot moord een zodanige intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd dat van bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten kan worden gesproken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn toereikend gemotiveerd.

2.3.3. Voorts geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte en zijn medeverdachten de bewezenverklaarde (poging tot) opzettelijke levensberoving met voorbedachte raad hebben begaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het, in het licht van de feiten en omstandigheden die het Hof omtrent de toedracht heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de overwegingen van het Hof tot uitdrukking is gebracht dat (ook) de verdachte vanaf de gezamenlijke voorbereidingen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het besluit om gebruik te maken van vuurwapens bij de actie op (de bewoner(s) van) de woonwagen en dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden waaruit kan volgen dat de verdachte niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen.

2.3.4. De middelen falen.

Noot

1. De voorliggende zaak vormt een uitwas van de verhardende criminaliteit in het zuiden des lands met catastrofale afloop. Een geplande vrijheidsberoving vanuit een woonwagenkamp mondt uit in een wildwest, waardoor een jongen van 12 het leven laat en zijn moeder ernstig gewond raakt. Een buitengewoon onsympathieke zaak. Wat was het geval? Rond 23.00 uur rijden zeven mannen in een busje naar een woonwagenkamp in Breda, met het doel een bewoner van dat kamp mee te nemen en ‘een lesje te leren’. Bij aankomst op het kamp verlaten ze het busje en stellen ze zich bewapend op bij de bewuste woonwagen. Eén van de mannen tracht tevergeefs de voordeur te openen. Als dit niet blijkt te lukken, wordt door een ander plots het vuur geopend op de ramen (waar licht door naar buiten schijnt) en de deur van de woonwagen. Nadien beginnen ook enkele anderen te schieten. In totaal zijn er 27 inslagen gevonden. Een zich beneden in de woonwagen bevindende jongen van 12 wordt daarbij dodelijk geraakt; zijn moeder raakt gewond. De groep vertrekt gehaast met het busje en stapt even later deels over in een vluchtauto. In het busje worden nadien meerdere vuurwapens en andere voorwerpen, zoals kogelwerende kleding en gehoorbeschermers, aangetroffen. Het hof veroordeelt de betrokken personen ter zake van medeplegen van moord en poging tot moord.

2. Van de verdachte in kwestie is vast komen te staan dat hij het busje had geregeld, daarin heeft gereden, met een bivakmuts op is uitgestapt bij het woonwagenkamp, zich bij de bewuste woonwagen heeft opgehouden en zich na het incident gelijktijdig met de anderen uit de voeten heeft gemaakt. Eveneens is vast komen te staan dat hij daarbij geen wapen droeg en aldus niet heeft geschoten. Ook deze verdachte wordt veroordeeld voor medeplegen van moord en poging tot moord en krijgt een gevangenisstraf van 20 jaar opgelegd.

3. In de cassatiemiddelen wordt begrijpelijkerwijs de bewezenverklaring van het medeplegen, het opzet en de voorbedachte rade aangevallen. De Hoge Raad bespreekt de middelen gezamenlijk en oordeelt dat het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft kunnen vaststellen dat bij de voorbereiding van de actie niet alleen is nagedacht over de geplande ontvoering, maar dat reeds bij de voorbereiding rekening is gehouden met het gebruik van vuurwapens voor het geval dat nodig zou zijn. Over de rol van de verdachte heeft het hof op basis van de hierboven genoemde feiten vastgesteld dat hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de voorbereiding en uitvoering van de actie. Volgens de Hoge Raad getuigt dit oordeel dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en van (voorwaardelijk) opzet op de dood niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd.

4. Dat de verdachte in kwestie een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het aanvankelijke plan van de vrijheidsberoving is zeker verdedigbaar. Hij heeft het busje daarvoor geregeld, fungeerde als chauffeur en is met een bivakmuts op uitgestapt bij de bewuste woonwagen. Voor een bewezenverklaring van medeplegen van (poging tot) moord is evenwel vereist dat een wezenlijke bijdrage aan dat specifieke delict komt vast te staan. Men zou kunnen denken dat daar de schoen wringt. Uit de vaststellingen van het hof kan immers volgen dat de gedragingen die door de verdachte zijn begaan en door het hof worden gekwalificeerd als voorbereidings- en uitvoeringshandelingen plaatsvonden in het licht van de geplande ontvoering en het ‘te leren lesje’. Tijdens de uitvoering hiervan werd het plan door een kennelijk onvoorziene omstandigheid – de deur ging niet open – op een tamelijk onverhoedse manier aangepast en heeft een aantal mannen het vuur op de woonwagen geopend. Het valt daarom te betwijfelen of onder die omstandigheden kan worden volgehouden dat de handelingen van de verdachte kwalificeren als een wezenlijke bijdrage aan moord en poging tot moord.

5. Ook het aangenomen opzet op het medeplegen en het gronddelict acht ik discutabel. Uit de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden valt af te leiden dat de verdachte niet beter wist dan dat de bewoner van het kamp een lesje moest worden geleerd. Wat dat in de optiek van de verdachte en of de medeverdachten precies zou hebben moeten inhouden, wordt niet duidelijk, maar de uitdrukking veronderstelt evenwel dat ‘de leerling’ het er levend vanaf brengt. Een blik over de papieren muur leert bovendien dat het volgens de verdachte de bedoeling was dat de hoofdbewoner van de woonwagen zou gaan betalen. De verdachte had weliswaar gezien dat er wapens mee werden genomen, maar niet valt uit te sluiten dat hij er daarbij vanuit is gegaan dat de meegebrachte wapens enkel ter dreiging (van de man des huizes) zouden worden aangewend. Een dode schuldenaar biedt immers weinig soelaas. Uit het enkele feit dat er wapens werden meegebracht, kan in dit geval dan ook bezwaarlijk het (voorwaardelijk) opzet op de dood (van een in dit geval minderjarige huisgenoot en zijn moeder) worden afgeleid – het aanvankelijke plan van ontvoering en vrijheidsberoving van de man des huizes als uitgangspunt genomen. De kennelijk onvoorziene wending van de gebeurtenissen ten opzichte van het initiële plan speelt bij de invulling van het (voorwaardelijk) opzet een belangrijke rol. De Hoge Raad gaat daar helaas niet apart op in. Knigge doet dat wel in zijn conclusie voor dit arrest en merkt terecht op dat de aanpassing van het plan in casu niet bijster logisch aandoet (ECLI:NL:PHR:2017:208, onder 6.10). Het onder vuur nemen van de woonwagen om er daarna als een haas vandoor te gaan, is inderdaad bepaald niet de manier om de geplande ontvoering alsnog gestalte te geven. De vraag is of de verdachte rekening had moeten houden met dit scenario en of gesteld kan worden dat de gang van zaken zoals die zich heeft afgespeeld, nog binnen het plan viel waaraan de verdachte zich had gecommitteerd.

6. Knigge meent overigens – na een rechtsvergelijkend uitstapje – uiteindelijk van wel (onder 6.17 en 6.18). Volgens hem was het plan weinig bepaald en blijkt niet van concrete afspraken over eventueel vuurwapengebruik. Het handelen van de verdachte wijst in elk geval op grote onverschilligheid ten aanzien van een eventueel dodelijke afloop van de onderneming, aldus Knigge. Hij betoogt verder dat het te verwachten viel dat het toe te passen geweld zou ontsporen en dat het slachtoffer aldus het leven zou laten. Ik deel die opvatting niet. Onverschilligheid ten aanzien van het toepassen van geweld op het beoogde slachtoffer van de levensberoving kan de verdachte wellicht worden verweten, maar niet kan worden gezegd dat hij daarmee de aanmerkelijke kans op de dood van diens zoon en vrouw heeft aanvaard. De eventuele verwachting dat het toe te passen geweld op de hoofdbewoner zou ontsporen, is nadrukkelijk iets anders dan de wijziging van het plan in die zin dat bij het niet opengaan van de voordeur 27 kogels lukraak op de woonwagen zouden worden afgevuurd. Een bewezenverklaring van medeplegen en (voorwaardelijk) opzet lijkt, gegeven de door het hof vastgestelde feiten ten aanzien van deze verdachte, aldus vergezocht en niet in lijn met de recent aangescherpte eisen van medeplegen in de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3473, NJ 2015, 390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:7169 en HR 5 juli 2016 ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016, 411).

7. Ten aanzien van de voorbedachte rade oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof hierover evenmin getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad voegt daar nog aan toe dat in de overwegingen van het hof tot uitdrukking is gebracht dat (ook) de verdachte vanaf de gezamenlijke voorbereidingen voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het besluit om gebruik te maken van vuurwapens bij de actie op (de bewoner(s) van) de woonwagen en dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden, waaruit kan volgen dat de verdachte niet in overeenstemming met dat besluit is blijven handelen of anderszins kenbaar van dat genomen besluit afstand heeft genomen. Bij dit oordeel wordt mijns inziens miskend dat uit de vastgestelde feiten valt af te leiden dat het plan van enkelen om op de woonwagen te gaan schieten, zoals is gedaan, eerst is ontstaan toen de deur van de woonwagen niet open bleek te gaan. Ter illustratie zij vermeld dat ook de rechtbank in deze zaak oordeelde dat uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet is gebleken dat sprake was van een vooropgezet plan om het slachtoffer, zijn moeder of een andere persoon in de woonwagen te doden of dat zelfs maar sprake was van een vooropgezet plan om op de woonwagen te schieten (Rb. Zeeland-West-Brabant 1 maart 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ2256). Bij de door de verdachte uitgevoerde voorbereidingshandelingen zal het gebruik van de vuurwapens door de medeverdachten zoals zich dat heeft gemanifesteerd, dan ook niet zijn betrokken. Uit de tijdlijn die door het hof in zijn arrest is gehanteerd, volgt dat tussen de aankomst van het busje op het woonwagenkamp en het weer wegrijden daarvan in totaal 53 seconden heeft gezeten (Hof ’s-Hertogenbosch 27 november 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4773). Het moment van overleg en kalm beraad bij de schutters moet zich aldus in dit korte tijdsbestek hebben afgespeeld. Niet valt in te zien hoe de verdachte zich daarbij kon aansluiten, dan wel afstand daarvan heeft kunnen nemen.

8. Deze uitspraak lijkt een trendbreuk met de recente jurisprudentie over medeplegen in te houden en wekt zelfs de indruk van een soort van risicoaansprakelijkheid. Mogelijkerwijs heeft de Hoge Raad hiermee een signaal willen afgeven dat ‘erbij zijn’ en ‘zich niet distantiëren’ bij zeer ernstige feiten met fatale afloop onder omstandigheden voldoende kan zijn voor het aannemen van medeplegen. De mogelijkheid bestaat ook dat deze uitspraak moet worden beschouwd als een incidentele oprekking van de grenzen van de hiervoor vermelde leerstukken ten einde recht te doen aan het onsympathieke karakter van de zaak.

mr. C.W. Noorduyn, advocaat bij Noorduyn Vermeij Van Straalen Advocaten

Verder lezen
Terug naar overzicht