NBSTRAF 2017/216, Hoge Raad 23-05-2017, ECLI:NL:HR:2017:949, 3460.15

Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen, Verbeurdverklaring, Verwerven, Voorhanden hebben

Samenvatting

De Hoge Raad oordeelt dat het beroep op de rechtspraak over de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen – vgl. ECLI:NL:HR:2014:702 (NbSr 2014/141, noot Spijkerman) en ECLI:NL:HR:2016:2842 (NbSr 2017/6, noot Dekkers) – niet slaagt. De bewezenverklaring houdt ook in dat verdachte de geldbedragen heeft “overgedragen” en heeft “omgezet”, als bedoeld in art. 420bis lid 1 onder b Sr. In aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het “verwerven” en “voorhanden hebben” van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van het middel van verdachte naar mening van de Hoge Raad niet tot cassatie behoeven te leiden, wegens het ontbreken van voldoende belang van verdachte daarbij (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3043). Met betrekking tot de OM-cassatie inzake de afwijzing door het Hof van de verbeurdverklaring van een bedrag van € 6.109,69, herhaalt de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2015:3689 (NbSr 2016/36, noot Zilver en Bussink): voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat ex art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Een conservatoir beslag ex art. 94a Sv staat volgens de Hoge Raad niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. ’s Hofs oordeel dat de gelden waarop conservatoir beslag rust niet kunnen worden verbeurdverklaard acht de Hoge Raad dan ook onjuist. Volgt gedeeltelijke vernietiging en terugwijzing. Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:364, Gevolgd.

Uitspraak

2. Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde vierde middel

2.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat het onder 3 bewezenverklaarde het “medeplegen van gewoontewitwassen” oplevert.

2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

“hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 1 november 2011 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens voorwerpen, te weten geldbedragen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat bovenomschreven geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders van het plegen van witwassen een gewoonte gemaakt.”

2.2.2. Het Hof heeft het onder 3 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “medeplegen van gewoontewitwassen”.

2.3. Het middel doet een beroep op rechtspraak van de Hoge Raad over in het bijzonder de kwalificeerbaarheid als witwassen van het “verwerven of voorhanden hebben” van onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige voorwerpen (vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:702, NJ 2014/302 en HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2842). Met die rechtspraak wordt gedoeld op het “verwerven of voorhanden hebben” als bedoeld in het eerste lid onder b van art. 420bis Sr. De bewezenverklaring houdt evenwel ook in dat de verdachte de geldbedragen heeft “overgedragen” en heeft “omgezet” als bedoeld in het evengenoemde onderdeel van dat artikellid. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof bij de kwalificatie van het bewezenverklaarde kennelijk geen zelfstandige betekenis heeft toegekend aan het “verwerven” en “voorhanden hebben” van de geldbedragen, zou de mogelijke gegrondheid van deze klacht niet tot cassatie behoeven te leiden wegens het ontbreken van voldoende belang van de verdachte bij deze klacht (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3043, NJ 2016/80).

2.4. Het middel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

3. Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de vordering tot verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 6.109,69,- heeft afgewezen.

4.2. Het Hof heeft – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – als volgt overwogen en beslist:

“Ten aanzien van de inbeslaggenomen gelden overweegt het hof dat uit het dossier en hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, blijkt dat het om conservatoir in beslaggenomen gelden gaat. Gelden waarop conservatoir beslag rust kunnen niet verbeurd verklaard worden. Het hof zal daarom, anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, deze gelden niet verbeurdverklaren.”

4.3. Voor verbeurdverklaring als bedoeld in art. 33a Sr is niet nodig dat op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op het voorwerp waarvan de verbeurdverklaring wordt uitgesproken. Ingevolge art. 34 Sr zal in zo een geval het voorwerp moeten worden uitgeleverd of de geschatte waarde daarvan moeten worden betaald. Voor uitlevering zal de verdachte, indien op hetzelfde voorwerp een ander dan het in art. 94 Sv vermelde beslag is gelegd, afhankelijk zijn van de medewerking van de beslaglegger. Een conservatoir beslag als bedoeld in art. 94a Sv staat derhalve niet eraan in de weg dat een voorwerp wordt verbeurdverklaard. Een andersluidende opvatting zou ook tot het onaanvaardbare resultaat leiden dat de strafrechter door een beslaglegger in zijn sanctiemogelijkheden wordt beperkt (vgl. HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3689, NJ 2016/62).

4.4. Het oordeel van het Hof zoals weergegeven onder 4.2 is derhalve onjuist.

4.5. Het middel slaagt.

Verder lezen
Terug naar overzicht