Niet aannemelijk dat inkomsten uit handel in verdovende middelen zijn verkregen


Samenvatting

De inspecteur heeft de stelling dat belanghebbende in 2000 inkomsten uit handel in verdovende middelen heeft genoten en schat de winst op f 500.000. De rechtbank stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat eiser te weinig inkomsten heeft aangegeven. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de inspecteur hierin niet is geslaagd. Het verslag waarop de inspecteur zich baseert is een verslag naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek naar strafbare feiten in de jaren 2001 en 2002. Belanghebbende wordt hierin niet als verdachte aangemerkt en wordt ook niet in het verslag genoemd. Ook de andere stellingen van de inspecteur rechtvaardigen niet de conclusie dat belanghebbende inkomsten uit handel in verdovende middelen heeft genoten.

De rechtbank constateert dat met betrekking tot de verzuimboete de redelijke termijn is overschreden. Omdat een vermindering van vijf gulden geen geschikte compensatie is, is de enkele vaststelling van inbreuk op art. 6 EVRM voldoende compensatie.

(Beroep gegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht