Nieuw besluit deelnemingsvrijstelling


Samenvatting

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft het beleidsbesluit inzake de toepassing van de deelnemingsvrijstelling herzien en geactualiseerd. Het nieuwe besluit deelnemingsvrijstelling is op 21 januari 2017 in werking getreden. Per die datum is tevens het oude besluit deelnemingsvrijstelling (besluit van 12 juni 2010, nr. DGB2010/2154M, NTFR 2010/1761) ingetrokken. Het besluit bevat naast een aantal nieuwe inhoudelijke elementen ook een groot aantal redactionele aanpassingen en verduidelijkingen die geen inhoudelijk karakter hebben. Verder is een aantal passages verplaatst. Hierna besteden wij slechts aandacht aan de inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oude beleidsbesluit. Wij houden de volgorde van het besluit aan.

Nieuwe elementen

1.7.2. Indirect gehouden belang

In onderdeel 1.7.2 neemt de staatssecretaris het standpunt in dat een afdekkingsinstrument op de balans van een directe binnenlandse dochtermaatschappij (of een in een EMU-land gevestigde dochtermaatschappij) niet (op grond van art. 13, lid 7, Wet VPB 1969) onder de deelnemingsvrijstelling valt, als hiermee het valutarisico dat deze directe dochtermaatschappij loopt ten aanzien van een door de dochtermaatschappij gehouden buitenlandse deelneming in een valuta andere dan de euro wordt afgedekt. Hij merkt op dat dit in de eerste plaats een risico is van het lichaam dat dit belang direct houdt, en dat de resultaten aldus niet onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen.

Commentaar

De staatssecretaris neemt het standpunt in dat het valutarisico, voor zover dat ziet op de door de dochtermaatschappij gehouden deelnemingen in vreemde valuta, eigenlijk een risico is van de dochtermaatschappij zelf, en niet van de belastingplichtige. Het standpunt is hoogst onpraktisch. Het is zeer gebruikelijk…

Verder lezen
Terug naar overzicht