Nihiltarief ten onrechte toegepast bij leveringen aan afnemers in het Verenigd Koninkrijk


Samenvatting

Belanghebbende exporteert dranken naar het Verenigd Koninkrijk en claimt daarbij een tarief van nihil omdat er in het Verenigd Koninkrijk sprake zou zijn van intracommunautaire verwerving van goederen door een ondernemer die onderworpen zou zijn aan belastingheffing ter zake van die verwerving. Op belanghebbende rust de bewijslast om dit aan de hand van boeken en bescheiden aannemelijk te maken. De inspecteur heeft een schrijven van zijn Britse collega dat een aantal van de afnemers van belanghebbende niet te identificeren zijn. Op grond van de feiten acht het hof evenmin aannemelijk dat een ondernemer, die wel beschikt over een status van geregistreerd ondernemer, de werkelijke afnemer van de goederen is geweest. Het hof loopt de door belanghebbende genoemde ondernemers stuk voor stuk na en komt telkens tot de conclusie dat belanghebbende niet is geslaagd in de op haar rustende bewijslast. Het hof acht de boete passend en geboden, maar verlaagt deze tot 18,75 % in verband met de duur van de procedure. De beschikking heffingsrente wordt gehandhaafd. Het hoger beroep van belanghebbende en zijn incidenteel hoger beroep zijn ongegrond.

Het hoger beroep van de inspecteur en diens incidenteel hoger beroep zijn gegrond.

Verder lezen
Terug naar overzicht