Pres. Rb. Zwolle 29-10-2001 (Maan), KG 2002, 36, Prg. 2002, 5843


Loon. Voorlopige voorziening. Wettelijke verhoging. Wijziging arbeidsvoorwaarden. Ziekte.

Een manager productie en logistiek, thans een jaar in dienst, salaris NLG 7.861,47 bruto per maand, wordt situationeel arbeidsongeschikt. In de arbeidsovereenkomst is vermeld dat de werknemer bij ziekte recht heeft op loondoorbetaling conform art. 7:629 BW. Als de werkgever na drie maanden 100% loondoorbetaling de loonbetaling eerst opschort omdat de werknemer weigert contact op te nemen met de werkgever en vervolgens deze vermindert tot 70%, vordert de werknemer in kort geding achterstallig loon en aanvulling tot 100%. De werknemer stelt dat de partijen overeen zijn gekomen dat de werkgever gedurende het eerste ziektejaar 100% van het loon zou doorbetalen. De president meent dat er ondanks de afwijkende tekst van de arbeidsovereenkomst er aanspraak bestaat op 100% loondoorbetaling. Vaststaat dat andere zieke werknemers ook voor 100% zijn doorbetaald, dat de voormalige directeur schriftelijk heeft verklaard dat de arbeidsovereenkomst afwijkt van hetgeen is afgesproken en dat de werknemer gedurende drie maanden 100% is doorbetaald. Bovendien heeft de werkgever gesteld dat het ondernemingsbeleid op dit punt is gewijzigd. De president heeft echter sterk de indruk dat er sprake is van een incidentele wijziging. Met betrekking tot de wettelijke verhoging over het niet tijdig betaalde loon, overweegt de president dat de werkgever niet gerechtigd was het loon op te schorten. Er was geen sprake van een verwijtbaar verzuim van de werknemer om contact met de werkgever op te nemen, omdat zijn arts hem dit ten zeerste had afgeraden en de werknemer dit werkgever tijdig had laten weten. De president veroordeelt de werkgever tot 100% loondoorbetaling gedurende het eerste ziektejaar en tot betaling van achterstallig loon vermeerderd met de wettelijke verhoging van 20% en de wettelijke rente. Met betrekking tot de veroordeling van de werkgever in de proceskosten overweegt de president dat de werknemer geen onredelijke keuze heeft gemaakt door te kiezen voor een kort geding in plaats van een voorlopige voorzieningsprocedure, gezien de korte termijn van een kort geding en de vereiste samenhang met de bodemprocedure bij een voorlopige voorzieningsprocedure.

Terug naar overzicht