President Rechtbank Amsterdam 09-09-1999 (Van der Valk Bouman), RvdW KG 1999, 268


Ontbinding (Voorwaardelijke)gewichtige redenen. Ontslag op staande voet (fraude). Executiegeschil. Beslag.

Een kelner met een dienstverband van tien jaar wordt op staande voet ontslagen op grond van fraude. De werknemer roept de nietigheid in en vordert bij voorlopige voorziening tewerkstelling en doorbetaling van loon. De kantonrechter wijst de vordering toe. Vervolgens ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk met een vergoeding van NLG 17.975,-- bruto. De werknemer legt executoriaal beslag op het pand waarin de werkgever het restaurant exploiteert. De werkgever vordert thans in kort geding een verbod de executie van de ontbindingsbeschikking voort te zetten en opheffing van het beslag. De president verwerpt onder verwijzing naar HR 05-09-1997 (De Bode/DHIJ, RvdW 1997, 163, JAR 1997, 215, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1997, blz. 237), de stelling van de werkgever dat nu de voorwaarde waaronder de arbeidsovereenkomst is geëindigd niet is vervuld, de ontbindingsvergoeding niet verschuldigd is. Volgens de Hoge Raad betekent de clausule "voor zover rechtens vereist", mede gelet op het bijzondere karakter van de ontbindingsprocedure, die gericht is op het verkrijgen van een spoedige beslissing omtrent het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, niet anders dan dat de met dit voorbehoud uitgesproken ontbinding afhankelijk wordt gesteld van de nietigheid van het ontslag en niet van uit in kracht van gewijsde gaan van een rechterlijke uitspraak omtrent die nietigheid. Vast staat dat de nietigheid van het ontslag op staande voet door de werknemer is ingeroepen. De president concludeert dat de toegekende vergoeding opeisbaar is. Ook de beweerdelijke aanzienlijke tegenvordering op de werknemer kan geen aanleiding zijn tot schorsing van de executie, temeer nu de strafzaak tegen de werknemer is aangehouden en het nog maar de vraag is of daadwerkelijk tot vervolging van de werknemer wordt overgegaan. Met betrekking tot het restitutie-risico overweegt de president dat, nog daargelaten of het risico daadwerkelijk bestaat, in dit executiegeschil slechts de vraag aan de orde is of de werknemer misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot ten uitvoerlegging van de beschikking van de kantonrechter. De geldende criteria zoals geformuleerd in HR 29-03-1985, NJ 1986, 84, voor geldvorderingen in kort geding zijn hier niet van toepassing. De president wijst de vorderingen af.

Verder lezen
Terug naar overzicht