President Rechtbank Amsterdam 17-05-2001 (Peeters), JAR 2001, 123


Bepaalde tijd. Faillissement (surséance). Schadeloosstelling. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 123.

Een werknemer is op 1 mei 2000 als algemeen directeur Latijns-Amerika bij de werkgever in dienst getreden voor de duur van drie jaar (salaris USD 24.882,-- per maand). Partijen zijn daarbij overeengekomen dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werknemer voortijdig beëindigt "without just cause" het salaris over het restant van de driejaarstermijn aan de werknemer zal worden betaald. Op 29 december 2000 heeft de rechtbank aan de werkgever op eigen verzoek voorlopig surséance van betaling verleend. Op 19 januari 2001 heeft de werkgever met machtiging van de bewindvoerders de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgezegd tegen 1 maart 2001 "because plans as to South America have changed." De werknemer vordert dat de werkgever aan hem het salaris over de resterende looptijd van het dienstverband betaalt. De werkgever stelt hier niet toe gehouden te zijn. De president stelt vast dat op de arbeidsovereenkomst van partijen Argentijns recht van toepassing is. De gevolgen voor de arbeidsovereenkomst van de verleende voorlopige surséance moeten echter naar Nederlands recht worden beoordeeld. De president oordeelt vervolgens dat er geen sprake is van een "just cause" in de zin van de arbeidsovereenkomst, nu de werknemer geen verwijt van de opzegging kan worden gemaakt. De vergoeding is daarom verschuldigd tenzij de surséance daaraan in de weg zou staan. Dit is volgens de president niet het geval. Het arrest in de zaak-Van Gelder Papier (NJ 1990, 662) waarin de Hoge Raad oordeelde dat een vóór het faillissement getroffen, gefixeerde schadeloosstelling in faillissement geen kans van slagen heeft, geldt niet voor surséance, nu daarbij slechts sprake is van een tijdelijk uitstel van betaling. Verder heeft de werkgever het verzoek tot surséance ingetrokken, kort nadat de voorlopige surséance was verleend en nog voordat de arbeidsovereenkomst met de werknemer was afgelopen. Daardoor heeft de rechter niet kunnen toetsen of er daadwerkelijk reden was voor betalingsuitstel. Ook daarom kan niet geoordeeld worden dat de werkgever geen vergoeding meer aan de werknemer verschuldigd zou zijn. De vordering van de werknemer is derhalve toewijsbaar

Terug naar overzicht