President Rechtbank Amsterdam 18-11-1999, JAR 1999, 271 (Orobio de Castro)


Concurrentiebeding. Uitzendarbeid. Boete. Beslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 271.

Een werkgever en een werknemer beëindigen met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst. Ondanks het concurrentiebeding is het de werknemer toegestaan als zelfstandige te gaan werken voor één van de opdrachtgevers van de werkgever ten behoeve van een bepaald project. Eén van de voorwaarden is dat de werknemer geen commerciële werkzaamheden zal verrichten voor de opdrachtgever noch tijdens de duur van het project noch gedurende een jaar na beëindiging daarvan, op straffe van een boete. Als de ex-werknemer na afloop van het project andere werkzaamheden verricht, vordert de werkgever een verbod en betaling van de bedongen boete. Ten aanzien van het laatste legt de ex-werkgever derdenbeslag. De werknemer meent dat hij in redelijkheid niet aan het concurrentiebeding kan worden gehouden nu hij geheel andere diensten verricht dan die de ex-werkgever aanbiedt en er sprake is van positieverbetering. Overigens is de werknemer van mening dat het concurrentiebeding in strijd is met de CAO voor uitzendkrachten en dus nietig is wegens strijd met de wet. Op grond van de destijds geldende Arbeidsvoorzieningswet en de Regeling voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten was het verboden ter beschikking gestelde arbeidskrachten te belemmeren met derden een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De boetebepaling is volgens de werknemer nietig op grond van art. 7:650 lid 3 BW. De werknemer vordert in reconventie opheffing van het conservatoire beslag. De president is van oordeel dat de werknemer geacht moet worden de reikwijdte en de gevolgen van de afspraken gemaakt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst te hebben kunnen overzien. Het beroep op het belemmeringsverbod op grond waarvan het concurrentiebeding nietig zou zijn moet dan ook worden verworpen. Voorshands is onvoldoende gebleken dat de werknemer niet aan deze afspraken zou kunnen worden gehouden. Niet aannemelijk is dat er sprake is van dermate verschillende werkzaamheden dat het relatiebeding opzij gezet dient te worden. Met betrekking tot de boete overweegt de president dat de vordering toewijsbaar is indien aannemelijk is dat deze in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Voorshands valt echter niet uit te sluiten dat de bodemrechter het boetebeding nietig zal verklaren omdat de bestemming van de boete ex art. 7:650 lid 3 jo lid 6 BW niet is vermeld. Evenmin kan worden gezegd dat de vordering van de ex-werkgever ondeugdelijk is zodat voor opheffing van het beslag geen grond bestaat. De president veroordeelt de werknemer zijn werkzaamheden te staken en wijst het gevorderde voorschot op de verbeurte boetes af evenals de in reconventie gevorderde opheffing van het conservatoir beslag.

Terug naar overzicht