President Rechtbank Amsterdam 26-07-2001 (Orobio de Castro), JAR 2001, 196


Gezagsverhouding (rechtsvermoeden arbeidsovereenkomst). Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 196.

De werknemer werkt sinds 1980 als "indexer" voor de werkgever en verdient daarmee zijn volledige inkomen. Hij werkt thuis met computer en ISDN-lijn van de werkgever. Vanaf 2000 is het aantal te indexeren artikelen aanzienlijk gedaald en de verwachting is dat het aantal in 2001 nog lager zal zijn. De werknemer vordert thans in kort geding dat de werkgever aan hem de gemiddeld over de voorgaande jaren betaalde beloning blijft betalen. Daartoe stelt hij dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De werkgever betwist dit. De president stelt vast dat er sprake is van werk waarvoor specialistische kennis vereist is en dat niet is gebleken dat de werknemer het werk ooit door een derde heeft laten uitvoeren. Dit laatste is ook niet goed denkbaar nu de werkgever ervoor heeft gezorgd dat de werknemer het werk thuis doet via een met hem verbonden computer. Aldus wordt voldaan aan het criterium van de persoonlijke arbeidsverplichting. Voorts is sprake van loon in de zin van een (vrijwel) maandelijks bedongen tegenprestatie. Hieraan doet niet af dat de werknemer aan de werkgever facturen verzendt, geen vakantie opbouwt en op de salarisspecificaties wordt aangemerkt als freelancer. Tot slot wordt ook een gezagsverhouding aanwezig geacht, nu de werknemer zijn indexeringswerkzaamheden dient te verrichten conform nauwkeurige instructies van de werkgever en de werknemer tevoren dient te melden wanneer hij niet thuis is. Aangezien de werknemer bovendien reeds sinds 1980 uitsluitend voor de werkgever werkt, is ruimschoots voldaan aan het criterium van art. 7:610a BW. De werkgever heeft het daaruit voortvloeiende rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet weten te ontzenuwen. Het feit dat een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen, betekent dat de werkgever een vast salaris verschuldigd is dat niet afhankelijk is van het aantal artikelen dat zij kan aanbieden. Bij bepaling van de hoogte van dit salaris komt de door de werknemer verzochte referentieperiode van drie jaar (1997-1999) redelijk voor. De in art. 7:610b BW genoemde periode van drie maanden komt hierbij niet in aanmerking, nu het hier gaat om een dienstbetrekking van tientallen jaren

Verder lezen
Terug naar overzicht