President Rechtbank Arnhem 24-09-1999, JAR 1999, 272 (Steeg)


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 272.

Een assistent steigerbouwer overkomt ruim één maand na indiensttreding een bedrijfsongeval bij werkzaamheden aan een nieuwbouwproject, tengevolge waarvan hij arbeidsongeschikt raakt. De werknemer acht zijn werkgever evenals een andere werkgever die als onderaannemer werkzaamheden verrichtte voor de hoofdaannemer aansprakelijk voor de schade. Hij vordert in kort geding NLG 30.000,-- voorschot schadevergoeding en smartengeld. De president concludeert aan de hand van een rapport van een onderzoeksbureau en van het proces verbaal van de Arbeidsinspectie dat twee werknemers van de andere onderaannemer onzorgvuldig hebben gehandeld bij het demonteren van een ondersteuningsconstructie. Deze onderaannemer heeft als werkgever de zorgplicht voor een veilige werkomgeving, ook met betrekking tot de veiligheid van niet-werknemers. Niet aannemelijk is geworden dat deze werkgever zijn werknemers volledig en correct heeft geïnstrueerd inzake het demonteren van steigers en dus is deze tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Aannemelijk is dat de bodemrechter de onderaannemer zal veroordelen wegens onrechtmatig handelen. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigen werkgever overweegt de president dat zijn zorgplicht ex art. 7:658 BW zich uitstrekt over het gehele bouwterrein, ook voor zover daarop door derden werkzaamheden worden verricht. De andere onderaannemer dient als zo'n derde te worden aangemerkt en kan als hulppersoon van de werkgever worden beschouwd. Aangezien deze hulppersoon tekort is geschoten in zijn zorgplicht ex art. 7:658 BW is de werkgever op gelijke wijze aansprakelijk voor de schade van de werknemer. Daarbij kunnen beide ondernemingen hun interne draagplicht de werknemer niet tegenwerpen, aangezien beide hoofdelijk aansprakelijk zijn. De president veroordeelt beide ondernemingen hoofdelijk tot het betalen van een voorschot schadevergoeding en smartengeld.

Terug naar overzicht