President Rechtbank Breda 12-03-1999 (Leijten), RvdW KG 1999, 102


Directeur (aandeelhouder). Concurrentiebeding.

Een directeur, tevens houder van een kwart van de aandelen, komt met de overige aandeelhouders overeen zijn aandelen te verkopen in verband met zijn uittreden. In de conceptakte is ten aanzien van de werknemer een concurrentiebeding opgenomen. De werknemer tekent de volmacht tot verlijden van de koopakte, die hij later weer intrekt. Na opzegging door twee werknemers om in dienst te treden bij de vennootschap van de ex-directeur, vordert de werkgever in kort geding een verbod tot het werken voor klanten van de werkgever en een verbod tot het in dienst nemen van personeel van de werkgever op straffe van een dwangsom. De president overweegt dat de werkgever de wilsovereenstemming van de werknemer baseert op het ondertekenen van de volmacht. Hoewel deze ondertekening in het nadeel is van de werknemer, is het aannemelijk dat dit in een bodemprocedure anders zal zijn. Het tien minuten bestuderen van de volmacht met de daaraan geniete conceptakte is voor een niet-juridisch geschoolde persoon veel te kort, en dus ook te kort voor de overige aandeelhouders om daaraan het vertrouwen te mogen ontlenen dat de werknemer met de gehele inhoud akkoord was. Bovendien is de conceptakte niet besproken met de werknemer en is hij niet geattendeerd op het concurrentiebeding. In de koopprijs was bovendien geen goodwill berekend en de waarde van de aandelen was uitsluitend gebaseerd op te intrinsieke waarde. Onder deze omstandigheden is het niet aannemelijk dat een concurrentiebeding is overeengekomen en stond het de werknemer vrij de werkgever eerlijke concurrentie aan te doen. Het is de werknemer echter niet toegestaan duurzame relaties van de werkgever uit te spannen of personeel van de werkgever in dienst te nemen. De president verbiedt de werknemer het stelselmatig werven van relaties en het in dienst nemen van personeel van de werkgever en wel tot 1 september 1999.

Verder lezen
Terug naar overzicht