President Rechtbank Breda 15-02-2000 (Nollen), JAR 2000, 76


Directeur. Ziekte. Opzegging. Schadeloosstelling. Kennelijk onredelijk ontslag. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 76.

(Zie voor hoger beroep hierboven Hof 's-Hertogenbosch 22-08-2000, JAR 2000, 207). Een statutair directeur wordt uitgenodigd voor een bijzondere vergadering van aandeelhouders, waarbij zijn ontslag en schorsing voor de rest van het dienstverband het enige agendapunt zal zijn. De directeur zou de hem in vertrouwen medegedeelde fusieplannen hebben besproken met een organisatiedeskundige, tevens een persoonlijke vriend. De directeur kondigt aan niet te zullen verschijnen op de aandeelhoudersvergadering en meldt zich daags daarvoor ziek. De aandeelhoudersvergadering besluit tot ontslag met inachtneming van de opzegtermijn en schorst de directeur tot het einde van het dienstverband. De directeur vordert in kort geding toelating tot zijn werkzaamheden en subsidiair een voorschot schadevergoeding van NLG 225.000,--. De directeur stelt onder andere dat hij ten tijde van de vergadering ziek was en dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen tijdens ziekte. De president overweegt dat op grond van art. 7:670 lid 1 BW de werkgever de arbeidsovereenkomst niet kan opzeggen tijdens ziekte tenzij de werknemer ziek is geworden nadat de RDA het verzoek om ontslagvergunning heeft ontvangen. Deze bepaling is in de wet opgenomen om te voorkomen dat werknemers in ziekte vluchten zodra hun ontslagprocedure is opgestart. De president is van oordeel dat deze bepaling analoog kan worden toegepast op de opzegging van een bestuurder. In het vennootschapsrecht begint de ontslagprocedure van een bestuurder met de ontvangst van de oproeping voor de AVA. Nu de directeur zich na het tijdstip heeft ziek gemeld wordt hij niet beschermd door het ontslagverbod. Ook de andere verweren tegen het ontslagbesluit kunnen de werknemer niet baten. De werknemer is tijdig voor de aandeelhoudersvergadering opgeroepen en heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt toe te lichten. Door niet voor ontslag op staande voet te kiezen, maar voor schorsing en opzegging met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van zes maanden heeft de werkgever voldoende rekening gehouden met de belangen van de werknemer. Het ontslag is derhalve niet kennelijk onredelijk. Het subsidiair gevorderde voorschot op schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag is overigens niet toewijsbaar wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, nu de werknemer nog de opzegtermijn wordt doorbetaald. De president wijst de vorderingen af.

Terug naar overzicht