President Rechtbank Breda 18-08-1999, JAR 1999, 189 (Paalvast)


Concurrentiebeding. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 189.

Een autoverkoper, bijna zeven jaar in dienst van een autobedrijf, zegt zijn arbeidsovereenkomst op om bij een ander autobedrijf in dienst te treden. De werkgever deelt de werknemer mede hem aan het destijds overeengekomen concurrentiebeding te houden en accepteert het voorstel van de werknemer om het concurrentiebeding om te zetten in een relatiebeding niet. De werknemer vordert in kort geding schorsing van het concurrentiebeding en subsidiair schorsing onder voorwaarde dat de werknemer geen klanten van de werkgever benadert. De werkgever vordert in reconventie de werknemer te verbieden in dienst te treden bij de concurrent. De president overweegt met betrekking tot de vordering van de werknemer dat buitenwerkstelling van het concurrentiebeding is aan te merken als een constitutieve voorziening, waartoe in kort geding geen bevoegdheid bestaat. Met betrekking tot de vordering van de werkgever overweegt de president dat de werknemer door indiensttreding bij een in de omgeving gevestigde dealer, de werkgever sterke concurrentie aandoet. Niet gezegd kan worden dat de werkgever onredelijk handelt door handhaving van het concurrentiebeding en door niet-aanvaarding van het relatiebeding. Bovendien is er geen sprake van een nodeloze beperking bij het vinden van ander werk. De werknemer had ook bij een andere dealer in dienst kunnen treden zonder schending van het concurrentiebeding, hetgeen hij niet heeft gedaan. De president wijst de vordering van de werkgever toe en verbiedt de werknemer bij de nieuwe werkgever in dienst te treden onder verbeurte van een dwangsom.

Terug naar overzicht