President Rechtbank Breda 25-04-2000 (Leijten), RvdW KG 2000, 119, JAR 2000, 115


Arbeidsomstandigheden (algeheel rookverbod).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 115.

Een werkneemster, 12 jaar in dienst als postbesteller in een postsorteercentrum van de PTT, verricht ongeveer vijf uur per dag voorsorteerwerkzaamheden in een grote sorteerruimte tezamen met een aantal collega's, waarvan het merendeel rookt tijdens het werk. De werkneemster heeft al geruime tijd geklaagd over het roken van haar collega's en de werkgever verzocht maatregelen te nemen. De werkgever neemt een aantal maatregelen doch wijst een algeheel rookverbod af. De werkneemster vordert vervolgens in kort geding veroordeling van de werkgever tot invoering van een algeheel rookverbod met uitzondering van een daartoe aangewezen rokersruimte. De president stelt dat algemeen is aanvaard het standpunt dat roken de gezondheid schaadt, ook die van niet-rokers, in het bijzonder wanneer zij lijden aan aandoeningen van de luchtwegen. Op grond van het wetsvoorstel tot wijziging van de Tabakswet is het mogelijk de werkgever te verplichten zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat zijn hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder en overlast van roken door collega's te ondervinden. Daarnaast legt art. 7:658 lid 1 BW werkgevers de verplichting op te zorgen voor een veilige werkomgeving. Op grond van art. 3 Arbeidsomstandighedenwet dient de werkgever de arbeid zodanig te organiseren en de arbeidsplaatsen zodanig in te richten dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de gezondheid van de werknemers. Volgens art. 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit dient de werkgever doeltreffende maatregelen te nemen om te voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid. Gezien de gevaren van tabaksrook leggen deze wetsbepalingen aan de werkgever de verplichting op te waarborgen dat niet-rokende werknemers zich tijdens werkzaamheden en pauzes bevinden in een ruimte die geheel vrij is van tabaksrook, omdat er geen veilige ondergrens is. Het gevaar moet bij de bron worden aangepakt door organisatorische maatregelen. Een algeheel rookverbod is daartoe geschikt en algemeen aangewezen binnen een kantoorgebouw. De wens van andere werknemers om te mogen roken kan niet worden tegengeworpen omdat deze rokers de gezondheid van niet-rokers behoren te respecteren. Toewijzing van de vordering levert geen strijd met art. 27 lid 1 WOR op, omdat de WOR de bevoegdheid van de rechter om een gebod op te leggen onverlet laat en dit gebod niet is onderworpen aan de goedkeuring van de OR. De president gebiedt de werkgever tot invoering van een algeheel rookverbod met uitzondering van de rokersruimte, op verbeurte van een dwangsom.

Terug naar overzicht