President Rechtbank Breda 27-04-2001 (Poerink), RvdW KG 2001, 129


Overgang onderneming. Concurrentiebeding.

De werknemers van een onderneming worden ruim een maand na de schriftelijk overeengekomen overdracht van alle activa en passiva op de hoogte gebracht van de overname van het bedrijf (gesteld op 1 november 2000). Vier werknemers zijn niet bereid te gaan werken voor de nieuwe werkgever en zeggen hun dienstverband op 19 december 2000 op. Omdat zij daarop geen reactie ontvangen, zeggen zij vervolgens het dienstverband op 29 december 2000 zowel bij de oude werkgever als de verkrijgende werkgever met onmiddellijke ingang op. Vervolgens treden zij in dienst bij een concurrerende werkgever. De verkrijgende werkgever stelt dat er sprake is van overgang van onderneming en dat de werknemers de gewone opzeggingsregels in acht dienen te nemen. Hij vordert in kort geding dat de werknemers zich aan het concurrentiebeding houden en dat zij het stelselmatig benaderen van klanten van de oude werkgever dienen te staken. De president overweegt dat de werknemers op grond van art. 6 EG-Richtlijn op enig moment kenbaar kunnen maken of zij al dan niet willen overgaan. Aangezien de salarissen tot 1 januari 2001 door de oude werkgever zijn betaald, is niet aannemelijk dat de werknemers wisten wanneer de overgang zou plaatsvinden. Niet aannemelijk is dat de overname plaatsvond op 1 november 2000 nu de Nederlandse Mededingingsautoriteit daarover pas op 13 december 2000 formeel toestem- ming heeft gegeven. Omdat onduidelijk is wanneer de onderneming is overgegaan resp. op welk moment de werknemers konden aangegeven of zij wilden meegaan, moet worden aangenomen dat de opzegging op 19 december 2000 heeft plaatsvinden en het ontslag omstreeks 29 december 2000 is ingegaan. De verkrijgende werkgever kan derhalve geen rechten ontlenen aan het concurrentiebeding. Aangezien ook het stelselmatig benaderen van klanten onvoldoende is gebleken, wordt de vordering afgewezen

Terug naar overzicht