President Rechtbank Haarlem 03-10-2001 (Van der Meer), JAR 2001, 231


Directeur. Loon. Ziekte. Opzegtermijn. Kennelijk onredelijk ontslag. Gefixeerde schadevergoeding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 231.

De werkgever heeft de werknemer, statutair directeur (een jaar in dienst, salaris NLG 200.000,-- bruto per jaar), op 6 juli 2001 uitgenodigd voor een buitengewone vergadering van aandeelhouders op 30 juli met als enige agendapunt het voornemen om hem te ontslaan. De werknemer heeft zich op 17 juli ziek gemeld en is niet op de vergadering geweest. Op de vergadering is besloten om de arbeidsovereenkomst met de werknemer met ingang van 1 september 2001 op te zeggen. De werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen. In kort geding vordert hij primair doorbetaling van loon. Subsidiair stelt hij dat slechts één maand opzegtermijn in acht is genomen, terwijl partijen zes maanden waren overeenge- komen. Meer subsidiair beroept hij zich op kennelijk onredelijk ontslag. De president ver- werpt het standpunt dat het ontslagbesluit nietig is omdat de werknemer niet op de verga- dering van aandeelhouders aanwezig was. De werknemer was tijdig uitgenodigd, dus had zich kunnen laten vertegenwoordigen. Het ontslag is verder niet nietig vanwege het opzegverbod bij ziekte. De uitnodiging voor de vergadering dient gelijk te worden gesteld aan de indiening van een ontslagaanvraag bij de RDA. Ziekmelding na die uitnodiging staat daarom niet aan ontslag in de weg. Ten aanzien van de opzegtermijn overweegt de president dat onder de huidige wetgeving de termijn voor de werkgever het dubbele dient te zijn van die voor de werknemer. De afspraak van partijen dat voor beiden een termijn van zes maanden geldt, is dus in strijd met de wet. Dit betekent niet dat, zoals de werkgever heeft gesteld, voor haar nu de wettelijke opzegtermijn van één maand geldt. Aannemelijk is dat de rechter in een bodemprocedure zou oordelen dat, nu de termijn voor de werknemer de helft dient te zijn van die van de werkgever, voor de werknemer een opzegtermijn van drie maan- den dient te gelden en voor de werkgever de overeengekomen termijn van zes maanden. De werkgever is op die grond derhalve nog vijf maanden salaris verschuldigd. Ook overigens is niet aannemelijk dat de bodemrechter zou oordelen dat de werkgever meer zou moeten beta- len dan het loon tot 1 februari 2002. Daarmee wordt immers aangesloten bij de gefixeerde schadevergoeding. De president zal dit bedrag daarom toekennen, waarbij rekening gehouden moet worden met het feit dat de werkgever reeds een "beëindigingsvergoeding" van twee maandsalarissen heeft betaald

Terug naar overzicht