President Rechtbank Haarlem 17-10-2000 (Van der Meer) en Kantonrechter Haarlem 16-12-2000 (Van der Valk), JAR 2001, 9


Ontslag op staande voet. Voorlopige voorziening. (voorwaardelijke) Ontbinding gewichtige redenen (dringende reden).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 9.

Bij een werkgever, een onderneming die zich bezig houdt met het verzorgen van cateringactiviteiten ten behoeve van verschillende luchtvaartmaatschappijen op Schiphol, geldt als beleid dat het zich toe-eigenen van andermans zaken, ook als het om zeer geringe, reeds beschadigde of bedorven zaken gaat, steeds leidt tot ontslag op staande voet. Op grond van dit beleid is een werknemer, afdelingsmanager sinds 1996, op 30 augustus 2000 op staande voet ontslagen wegens het opeten van een, naar zijn zeggen retour gekomen, zak noten. De werknemer stelt dat dit ontslag nietig is onder andere omdat hij geen tijd had om naar de kantine te gaan, een collega hem uit rancune heeft aangegeven, de zak noten reeds geopend was en er sprake was van een klein vergrijp waartegenover een voortreffelijke staat van dienst staat. Hij vordert in kort geding doorbetaling van loon en tewerkstelling. De werkgever verzoekt op zijn beurt voorwaardelijk om ontbinding van de arbeidsovereen- komst. De president is voorshands van mening dat het ontslag geldig is. De werkgever heeft aannemelijk gemaakt dat hij een strikt beleid zonder uitzonderingen dient toe te passen ten aanzien van verduistering en heeft tevens aangetoond dat hij dit beleid consequent toepast en ook uitdraagt via het personeelsblad. De werknemer was van het beleid op de hoogte. In de afgelopen periode zijn er een aantal uitspraken gewezen waarin een ontslag op staande voet in vergelijkbare situaties (twee zakjes pinda's, blikje tonic) geldig is geacht. De vorderingen van de werknemer zijn dan ook niet toewijsbaar. De kantonrechter wijst het ontbindings- verzoek toe. De rechter onderschrijft de overwegingen van de president en is verder van oordeel dat er voldoende reden is voor ontbinding wegens verlies van vertrouwen in de werknemer. Weliswaar is er sprake van een gering vergrijp en van een rancuneuze collega, maar de werknemer wist, zeker nu hij een leidinggevende functie had, dat zijn handelwijze niet toelaatbaar was. De werkgever is gerechtigd in dergelijke kwesties een consequent en strikt beleid te voeren

Terug naar overzicht