President Rechtbank Haarlem 25-02-2000 (Bakker), RvdW KG 2000, 102


Faillissement. Studiekosten. Ontslag(name) op staande voet.

Een 29-tal piloten hebben met hun werkgever, een luchtvaartmaatschappij, een opleidingsovereenkomst (tevens voorovereenkomst) gesloten. Daarbij is overeengekomen dat de werkgever de opleidingskosten voor zijn rekening neemt en dat bij het behalen van de vereiste bevoegdheden een arbeidsovereenkomst zal worden aangegaan. Op grond van deze overeenkomst dienen de werknemers de opleidingskosten terug te betalen indien zij de arbeidsovereenkomst binnen 60 maanden na voltooiing van de opleiding beëindigen. Ter voldoening van de opleidingskosten hebben de werknemers een bankgarantie gesteld van ongeveer NLG 100.000,-- tot NLG 150.000,--. Nadat de werkgever failliet is verklaard en de arbeidsovereenkomsten zijn geëindigd (onder andere door ontslagname op staande voet respectievelijk een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst), vorderen de werknemers in kort geding de curatoren te verbieden over te gaan tot uitwinning van deze bankgaranties. De werknemers beroepen zich op art. 236 Fw omdat het hier gaat om een gemengde overeenkomst van opleiding en arbeid en niet uitsluitend om een arbeidsovereenkomst. De president is echter van oordeel dat de kern van de regeling is dat de opleidingskosten niet behoeven te worden terugbetaald zolang er een arbeidsovereenkomst is en ook niet indien beëindiging plaatsvindt als gevolg van een door de werkgever aan de werknemer verschafte dringende reden. Voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst geeft art. 239 Fw een bijzondere regeling als gevolg waarvan art. 236 Fw toepassing mist. Met betrekking tot het argument dat de werknemers de opleidingskosten niet behoeven terug te betalen omdat de werkgever hen een dringende reden heeft gegeven voor ontslagname op staande voet respectievelijk een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, overweegt de president als volgt. De periode van surséance wordt gekenmerkt door veel onzekerheid over een eventuele overname en de werkgever is na twee maanden, na een schriftelijk verzoek daartoe, niet duidelijk geweest over het voortzetten van de arbeidsovereenkomsten. Op het aanbod van uitzendarbeid behoefden de vliegers niet in te gaan, mede gezien de aanbiedingen van gelijkwaardige arbeid door concurrerende luchtvaartmaatschappijen. Onder deze omstandigheden is er sprake van een dringende reden voor de werknemers, op grond waarvan geen aanspraak bestaat op terugbetaling van de opleidingskosten, ook niet gelet op het bepaalde in art. 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid). De president is voorlopig van oordeel dat de curatoren van de werkgever geen vordering op de werknemers hebben en verbiedt hen over te gaan tot uitwinning van de bankgaranties.

Verder lezen
Terug naar overzicht