President Rechtbank Maastricht 22-03-1999, JAR 1999, 85 (Eliëns)


Ontbinding gewichtige redenen. Loon (aandelenopties). Beslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 85.

Een werkgever biedt zijn werkneemster in mei 1996, 1997 en 1998 aandelenopties aan, waarvoor geldt dat de eerste 25% van de opties een jaar na het moment van toekenning onvoorwaardelijk uitoefenbaar zijn. De arbeidsovereenkomst van de werkneemster wordt drie jaar na indiensttreding ontbonden met een vergoeding van NLG 80.390,-- bruto. De werkgever verrekent vervolgens de voorgeschoten belastingschuld, die voortvloeit uit de toekenning van de optierechten, met het salaris en de ontbindingsvergoeding. Werkneemster legt executoriaal beslag en de werkgever vordert in kort geding opheffing van het beslag en opschorting van executie, stellende aan zijn betalingsverplichtingen te hebben voldaan en gerechtigd te zijn de voor de werkneemster ingehouden loonbelasting te verrekenen. De president stelt als uitgangspunt dat de werkgever op grond van de Nederlandse fiscale wetgeving verplicht is over de toegekende opties loonbelasting in te houden. Aangezien werkneemster de opties over 1996 heeft aanvaard en de werkgever hierover loonbelasting heeft voorgeschoten, was de werkgever gerechtigd deze te verhalen op de werkneemster. De president verwerpt het verweer dat de werkneemster verkeerd is voorgelicht, omdat zij er niet op mocht vertrouwen dat het informatiepakket (geldend voor het gehele wereldwijde concern) betrekking had op het Nederlandse belastingsysteem. Zij had zich fiscaal moeten laten voorlichten. Met betrekking tot de opties over 1997 is de president van oordeel dat de werkgever niet zondermeer mocht aannemen dat de werkneemster deze had aanvaard, omdat zij het informatiepakket niet had teruggestuurd. De werkgever had derhalve geen loonbelasting mogen inhouden en dus alleen de loonbelasting over de in 1996 toegekende opties mogen verrekenen. Het beslag is dus deels onrechtmatig en de president stelt de totale vordering van de werkneemster op de werkgever vast op NLG 25.000,-- (inclusief wettelijke rente en wettelijke verhoging). De president verbiedt executie van de beschikking van de kantonrechter en van de overige vorderingen voor zover zij het bedrag van NLG 25.000,-- te boven gaan en heft het beslag voor zover het dit bedrag te boven gaat op.

Verder lezen
Terug naar overzicht