President Rechtbank Rotterdam 04-11-1999, JAR 1999, 273 (Van den Emster)


Staking (ondanks ondernemingsconvenant).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 273.

Een vakvereniging wil in overleg treden met twee werkgevers, een groothandel in vis en een visbewerkingsbedrijf, over het aangaan van een bedrijfs-CAO. Deze werkgevers sluiten echter met de ondernemingsraad een ondernemingsovereenkomst (Arbeidsvoorwaardenconvenant) voor de duur van twee jaar. Vervolgens roept de vakvereniging op tot staking waaraan ongeveer 50 werknemers gevolg geven. De twee werkgevers vorderen in kort geding de vakvereniging te verbieden op te roepen tot een staking en deze te veroordelen tot beëindiging van de staking. De president overweegt dat nu de werkgever tegen een bedrijfs-CAO is en de vakvereniging onweersproken heeft gesteld dat 60 tot 70% van de werknemers zich heeft aangesloten en 85% daarvan voor het sluiten van een bedrijfs-CAO heeft gestemd, er sprake is van een belangengeschil. Op grond van art. 6 lid 4 ESH heeft de vakvereniging in dat geval recht op collectieve actie. Het feit dat inmiddels een ondernemingsovereenkomst is afgesloten doet daar niet aan af. Dat de staking indruist tegen de wil van de werknemers geldt in ieder geval niet voor de 50 stakers. Een staking dient als uiterste middel te worden aangemerkt. Hoewel gebleken is dat er nog nauwelijks overleg heeft plaatsgevonden, is duidelijk dat de werkgevers niet bereid zijn om over het daadwerkelijk aangaan van een bedrijfs-CAO te spreken, zodat een concrete mogelijkheid om alsnog tot een inhoudelijk uitwisseling van standpunten te komen, voorshands lijkt te ontbreken. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de vakvereniging nog een ander middel dan staking open stond. Aangezien de acties bovendien deugdelijk zijn aangekondigd, weigert de president de gevraagde voorzieningen.

Terug naar overzicht