President Rechtbank Rotterdam 19-06-2001 (Van Dooren), RvdW KG 2001, 190


Bedrijfsongeval (beroepsziekte: mesothelioom). Verjaring. Overgang onderneming.

Een werknemer is tijdens zijn driejarige arbeidsovereenkomst met een rederij werkzaam geweest op binnenschepen die onder meer asbestproducten vervoerden. 36 Jaar later wordt mesothelioom vastgesteld en de werknemer stelt ruim tweeënhalf jaar later zijn ex-werkgever (althans de vennootschap waarvan hij vermoedt dat deze zijn ex-werkgever is) aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW. Deze onderneming, die bij de oprichting gebruik heeft gemaakt van de lege BV van de vroegere werkgever, beroept zich op verjaring. De werknemer erkent dat de vordering is verjaard, doch acht een beroep op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid en verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 28-04-2000 (Van Hese/De Schelde, RvdW 2000, 118, JOL 2000, 264, NJ 2000, 430, JAR 2000, 122, Rechtspraak- overzicht Arbeidsrecht 2000, blz. 27). De Hoge Raad oordeelt in dit arrest dat de verjaringstermijn van 30 jaar buiten toepassing blijft ingeval de schade is geconstateerd nadat deze termijn is verstreken. De president is van oordeel dat de werkgever geen verwijt treft nu er sprake is van overname van een lege BV die 20 jaar geen enkele activiteit heeft uitgeoefend en de werkgever geheel andere activiteiten uitoefent dan de ex-werkgever van de werknemer. De werkgever heeft geen rekening kunnen houden met de mogelijkheid aansprakelijk te worden gesteld en had dit ook niet behoeven te doen, temeer daar hij zelf geen personeel aan asbest heeft blootgesteld. De president is voorts van oordeel dat de werknemer te laat tot aansprakelijkstelling is overgegaan (tweeënhalf jaar na constatering van de mesothelioom, hetgeen geen redelijke termijn is). Het beroep op verjaring is gezien alle omstandigheden niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en de president wijst de vordering af

Verder lezen
Terug naar overzicht