President Rechtbank 's-Gravenhage 13-10-1999, JAR 1999, 248 (Kalbfleisch)


Concurrentiebeding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 248.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Delft 08-07-1999, JAR 1999, 166, zie hierna, blz. ?). De eigenaar van een ontwerpbureau verkoopt zijn aandelen en treedt als werknemer in dienst van het bureau. In de koopovereenkomst is een concurrentiebeding overeengekomen en is vastgelegd dat als de werknemer voor 31 december 1999 ontslag zou nemen hij de werkgever NLG 213.480,-- zal vergoeden. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst maar als de kantonrechter een vergoeding wil toekennen, trekt de werkgever het verzoek in. Vervolgens verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt met een vergoeding van NLG 87.000,-- bruto per 1 augustus 1999. De aandeelhouder laat daarop conservatoir derdenbeslag leggen in verband met de beëindigingsvergoeding. De werknemer vordert in kort geding opheffing van het beslag en schadevergoeding en tevens opschorting respectievelijk matiging van het concurrentiebeding. De president is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de vordering waarvoor beslag is gelegd ondeugdelijk is en dat de aandeelhouder door beslaglegging misbruik maakt van recht. Aannemelijk is dat in het bedrag waarvoor de koper de aandelen heeft gekocht toekenning van een salaris was verdisconteerd en dat de werknemer zich verplichtte zijn arbeidsovereenkomst tot 31 december 2000 voort te zetten. Daarbij zijn afspraken gemaakt voor het geval de arbeidsovereenkomst eerder dan 31 december 1999 zou eindigen door toedoen van de werknemer. Deze verplichting komt niet te vervallen door ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer. Ook is niet aannemelijk dat de werknemer gezien de verstoorde arbeidsverhouding, nadat de werkgever het verzoek had ingediend en weer ingetrokken, niet anders kon dan ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken. Met betrekking tot het concurrentiebeding overweegt de president dat dit is opgenomen in de koopovereenkomst, die weliswaar gerelateerd is aan de arbeidsovereenkomst, doch met deze overeenkomst als zodanig niets van doen heeft. Wel is er reden om op grond van redelijkheid en billijkheid het concurrentiebeding te schorsen, nu de werknemer door het beslag genoodzaakt is snel weer aan de slag te gaan en het concurrentiebeding hem onevenredig beperkt in zijn mogelijkheden daartoe. Niet aannemelijk is dat de aandeelhouder ernstig benadeeld wordt in zijn concurrentiepositie. De president schort het concurrentiebeding op totdat hierover in de bodemprocedure is beslist en wijst het meer of anders gevorderde af.

Terug naar overzicht