President Rechtbank Utrecht 01-06-1999 (Van der Burg), RvdW KG 1999, 236


CAO. Vakantie (vrijetijdsaanspraken). Goed werkgeverschap. Vakvereniging.

Volgens de NS Reizigers-CAO kunnen verlofvrije uren worden opgespaard. Deze uren moeten zoveel mogelijk opgenomen worden in het jaar waarin ze zijn opgespaard. Om de achterstand met betrekking tot de vrijetijdsaanspraken (VTA) terug te dringen is de werkgever met de vakverenigingen overeengekomen dat meer bezetting zal worden geworven dan volgens de formatieberekening noodzakelijk is. Onder de voorwaarde dat de bezetting op het niveau van de geplande personeelsbehoefte blijft en het ziekteverzuim niet verslechtert, is de werkgever bereid zich in te spannen om de verlofachterstanden te laten verminderen. Als de achterstand in de VTA onvoldoende wordt teruggedrongen, vordert de vakvereniging van de NS te garanderen dat haar leden de voor hen geldende verlofaanspraken kunnen benutten respectievelijk opnemen. Daarnaast vordert de vakvereniging een schadevergoeding van NLG 25.000,--. Volgens de vakvereniging is de werkgever op grond van de CAO verplicht de werknemers in staat te stellen de VTA over een jaar in datzelfde jaar te benutten. De president is van oordeel dat de in de CAO weergegeven verplichting om verlof te verlenen geen resultaatsverbintenis is, maar een inspanningsverbintenis. De vordering op deze grond moet dan ook worden afgewezen. Met betrekking tot het verweer van de werkgever dat collectieve actie niet mogelijk is omdat de werknemers met betrekking tot het opnemen van verlof geen gelijksoortig belang hebben, is de president van oordeel dat de vakvereniging gezien zijn doelstelling en belangenbehartiging, bevoegd is tot een groepsactie. Het feit dat de VTA-achterstand per werknemer kan verschillen, maakt het belang niet veelsoortig. De werknemers hebben een gelijk belang bij de mogelijkheid verlof op te nemen. De president overweegt dat art. 7:638 lid 6 BW eveneens uitgaat van een inspanningsverplichting van de werkgever. Volgens de wetsgeschiedenis kunnen gewichtige redenen er echter niet toe leiden dat werknemers stelselmatig gedwongen worden vakantiedagen "over te sparen". De president stelt vast dat er in dit geval sprake is van structurele achterstand en dat de werkgever zijn verplichtingen als goed werkgever onvoldoende nakomt. Deze inspanningsverplichting van de werkgever kan niet worden omgezet in een door de vakvereniging gevorderde garantieverplichting. De president wijst de vordering derhalve af. Ook de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende feitelijke onderbouwing.

Terug naar overzicht