President Rechtbank Utrecht 09-05-2000 (Schepen), RvdW KG 2000, 147


Ontbinding gewichtige redenen (Voorwaardelijke). Executiegeschil.

Na een ontslag op staande voet wordt de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk ontbonden onder toekenning aan de werknemer van een vergoeding van NLG 695.000,-- (met toepassing van C=1,3). Wanneer de werknemer terzake van de vergoeding conservatoir (?) beslag legt vordert de werkgever in kort geding staking van de executie. De president wijst de vordering af overwegende dat de ontbindingsbeschikking "voor zover vereist" betekent dat de arbeidsovereenkomst per de daarin genoemde datum wordt ontbonden en dat de vergoeding terstond opeisbaar wordt. Eerst indien in de bodemzaak wordt vastgesteld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig was wordt daarmee (met terugwerkende kracht) de rechtskracht aan de ontbindingsbeschikking ontnomen. Ook levert de executie geen misbruik van recht op. In kort geding bestaat geen ruimte voor uitvoerige bewijslevering, maar moet in beginsel worden uitgegaan van hetgeen de kantonrechter reeds heeft overwogen in de voorwaardelijke ontbindingsprocedure over de (afwezigheid van) de dringende reden en voorshands wordt niet aannemelijk geacht dat de werkgever in de bodemprocedure zal slagen in het bewijs dat er geen dringende reden was.

Terug naar overzicht