President Rechtbank Utrecht 11-05-2000 (Walsteijn), RvdW KG 2000, 128


Concurrentiebeding.

Een werknemer treedt na één jaar bij een andere werkgever te hebben gewerkt, weer in dienst bij zijn oude werkgever, waarbij een concurrentiebeding wordt overeengekomen. De werknemer zegt vervolgens na ruim een jaar zijn arbeidsovereenkomst op om bij een concurrent in dienst te kunnen treden. De werkgever gaat akkoord met het ontslag maar houdt de werknemer aan het concurrentiebeding. Als de werknemer desondanks in dienst treedt bij de nieuwe werkgever vordert de ex-werkgever in kort geding tegen de werknemer en de nieuwe werkgever staking van de werkzaamheden voor de nieuwe werkgever en de werknemer vordert in reconventie vernietiging van het concurrentiebeding respectievelijk schorsing en/of matiging en een schadevergoeding ex art. 7:653 lid 4 BW. De werknemer stelt dat het concurrentiebeding opnieuw had moeten worden overeengekomen omdat zijn functie twee maanden voor zijn uitdiensttreding is gewijzigd. De president acht niet aannemelijk dat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken, omdat het slechts ging om een wijziging van de naam van de functie en van het werkgebied. Het salaris en de overige arbeidsvoorwaarden zijn hetzelfde gebleven. Het concurrentiebeding is dus nog steeds van kracht. Voldoende aannemelijk is dat beide werkgevers concurrenten zijn en dat de werknemer concurrerende werkzaamheden zal gaan verrichten en beschikt over concurrentiegevoelige informatie. De werkgever heeft dan ook groot belang bij handhaving van het concurrentiebeding, waarvoor het belang van de werknemer moet wijken. Aangezien de tweede arbeidsovereenkomst slechts één jaar heeft geduurd, acht de president het waarschijnlijk dat in de bodemprocedure het concurrentiebeding zal worden gematigd tot één jaar. De president schorst het concurrentiebeding na die periode. Met betrekking tot de reconventionele vordering overweegt de president dat de werknemer zonder behoorlijk overleg met de werkgever heeft opgezegd en dat hij voldoende mogelijkheden heeft om elders tijdelijk in dienst te treden. Er is dan ook geen reden voor een schadevergoeding. De vordering tegen de nieuwe werkgever wijst de president toe, omdat deze onrechtmatig handelt door gebruik te maken van de diensten van de werknemer.

Terug naar overzicht