Rechtbank Almelo en Kantonrechter Enschede 20-12-2000, 10-02-2000 (Valk), Prg. 2001, 5695


Gezagsverhouding. Proeftijd. Bewijs (désaveu).

Na vier dagen wordt een werknemer ontslagen, waarbij de werkgever voor de rechtsgeldigheid daarvan zich beroept op het bestaan van een nul-urencontract en een proeftijd. Op grond van de erkenning van de gemachtigde van de werkgever, die zelf afwezig was, ter comparitie, stelt de kantonrechter vast dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Voor het bestaan van een proeftijd is geen bewijs aangedragen en de kantonrechter acht het ontslag nietig wegens het ontbreken van een RDA-vergunning. In hoger beroep desavoueert de werkgever de (erkenning van) zijn gemachtigde met succes, nu er geen bijzondere volmacht (art. 263 Rv) was verstrekt om erkenning te doen tijdens de comparitie. De zaak wordt derhalve terugverwezen naar de kantonrechter om verder te worden behandeld in de stand waarin deze zich bevond voordat de gewraakte uitlatingen werden gedaan

Terug naar overzicht