Rechtbank Amsterdam 01-08-2001, JAR 2001, 170


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (geen recht op hoger wachtgeld). Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 170.

De kantonrechter heeft op verzoek van de werkgever de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden omdat tussen hen een onwerkbare situatie was ontstaan. Op grond van de toepasselijke CAO komt bij een dergelijke ontslaggrond aan een werknemer een uitkering toe krachtens de Uitkeringsregeling 1966 en niet krachtens het gunstiger Rijkswachtgeldbesluit 1959. De werknemer (18 jaar in dienst, salaris NLG 8.468,-- bruto per maand) stelt dat de werkgever aan hem toch het hogere wachtgeld verschuldigd is. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst weliswaar ontbonden heeft wegens het bestaan van een onwerkbare situatie, maar dat achtergrond van zijn ontslag de bij de werkgever op handen zijnde reorganisatie was. In de tweede plaats stelt hij dat de werkgever het hogere wachtgeld verschuldigd is op grond van goed werkgeverschap. De kantonrechter heeft zijn vordering afgewezen. Op het hoger beroep van de werknemer overweegt de rechtbank dat als ontslaggrond die grond in aanmerking moet worden genomen die de kantonrechter in zijn ontbindingsbeschikking als grondslag heeft genoemd. Aangezien dit de grond "het bestaan van een onwerkbare situatie" is, komt aan de werknemer geen uitkering toe krachtens het Rijkswachtgeldbesluit. Het goed werkgeverschap brengt evenmin mee dat wachtgeld verschuldigd is, alleen al niet omdat de werknemer niet kan aantonen dat er causaal verband bestaat tussen het handelen dat hij de werkgever verwijt (het aansturen op een onwerkbare situatie) en zijn schade (het niet krijgen van hoger wachtgeld). De rechtbank ziet ook geen reden voor toekenning van wachtgeld op grond van art. 7:611 BW omdat de CAO dit uitdrukkelijk uitsluit. Tenslotte is de rechtbank van mening dat de ontbindingsrechter bij zijn beschikking de eventuele aanspraak van de werknemer heeft meegenomen, zodat deze niet meer in een aparte procedure kan worden ingebracht. Dat de kantonrechter dit heeft gedaan, blijkt onder andere uit het feit dat partijen de kantonrechter op zijn verzoek nog schriftelijk hebben geïnformeerd over de wachtgeldaanspraken van de werknemer

Verder lezen
Terug naar overzicht