Rechtbank Amsterdam 05-07-2000, JAR 2000, 160


Afroepovereenkomst. Deeltijdarbeid. CAO (Verordening Arbeidsvoorwaarden Dienstverlening).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 160.

Een videotheekmedewerkster ontving het minimumloon op basis van het aantal feitelijk gewerkte uren. Zij vordert achterstallig salaris met een beroep op toepasselijkheid van de Verordening Arbeidsvoorwaarden Dienstverlening (VAD). De kantonrechter en rechtbank in hoger beroep achten de VAD van toepassing, omdat in de videotheek ook goederen verkocht werden. De toepasselijkheid blijkt ook wel uit het feit dat de branchevereniging aan het Hoofdbedrijfschap ontheffing van de toepassing heeft gevraagd. De omzetverhouding tussen verkoop en verhuur is niet van belang. Aan de hand van de definities in de VAD wordt vastgesteld dat de werkneemster niet als oproepkracht maar als parttimer (gemiddeld 18,5 uur per week) werkte volgens een telkens per maand opgesteld rooster. Dientengevolge kan de werkneemster niet worden aangemerkt als iemand die wegens tijdelijke drukte of andere reden naar oproep werkzaam was en wordt het voor parttimers toepasselijke hogere achterstallige loon toegewezen.

Terug naar overzicht