Rechtbank Amsterdam 06-01-1999, JAR 1999, 127 (Peeters)


Staking. Vakvereniging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 127.

Een werkgever voert overleg met de OR over een reorganisatie als gevolg van verslechterde bedrijfsresultaten. De OR laat zich daarin adviseren door de vakvereniging. Na afloop van een bijeenkomst met het voltallig personeel, waarin de directeur een toelichting geeft op het reorganisatieplan, roept de vakvereniging op tot bedrijfsbezetting. Kort na de bezetting gaat de werkgever failliet. De werkgever en de directeur achten de vakvereniging daarvoor verantwoordelijk aangezien door de bedrijfsbezetting potentiële kopers van de overname van het bedrijf hebben afgezien. De werkgever vordert een schadevergoeding, evenals de directeur, die ook smartengeld vordert vanwege aantasting van eer en goede naam. De rechtbank verwerpt het beroep op rechtsverwerking omdat de vordering vijf jaar na de bedrijfsbezetting is ingesteld. Vast staat, dat de werkgever tevergeefs de vakvereniging heeft gevraagd de staking te beëindigen en dat de werkgever vervolgens afspraken heeft gemaakt met de vakvereniging over de gang van zaken tijdens de bedrijfsbezetting. Dat de werkgever heeft afgezien van een kort geding om de staking te beëindigen, wil niet zeggen dat hij geen schadevergoeding mag vorderen. Er is geen sprake van rechtsverwerking vanwege het tijdsverloop. De rechtbank overweegt dat een collectieve actie ter veiligstelling van de belangen van werknemers op grond van art. 6 lid 4 ESH rechtmatig kan zijn, wanneer minder ingrijpende middelen, zoals overleg, niet meer mogelijk zijn en dit ook aan de werkgever kenbaar is gemaakt. De werkgever was echter in overleg met de OR en de OR heeft op geen enkel moment aangekondigd dat het overleg zou worden afgebroken. Het is mogelijk dat de vakvereniging meende dat niet de OR maar zij het overleg diende te voeren. Zij heeft dit echter niet voldoende aan werkgever duidelijk gemaakt. De werkgever mocht er van uitgaan dat de OR onderhandelingpartner was en niet de vakvereniging. Door het bedrijf te bezetten handelde de vakvereniging voorbarig en onrechtmatig. Het weghalen van een computer en enige instrumenten alsmede geruchtvorming over het vervreemden van een bepaald project, was onvoldoende te concluderen dat het bedrijf werd leeggehaald, dus ook onvoldoende om het middel van staking te rechtvaardigen. De vakvereniging had moeten onderzoeken of de geruchten juist waren. De rechtbank acht aannemelijk dat de werkgever ten gevolge van de bedrijfsbezetting schade heeft geleden en dat potentiële kopers ervan afgezien hebben het bedrijf over te nemen. Door in overleg met de vakvereniging te treden over de voortgang van de onderneming en geen kort geding aan te spannen, heeft de werkgever de schade niet aan zichzelf te wijten. Vanwege de complexiteit dient de schade in een schadestaatprocedure te worden vastgesteld. Door te suggereren dat de directeur zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering heeft de vakvereniging de directeur in zijn eer en goede naam aangetast. Het ging echter…

Verder lezen
Terug naar overzicht