Rechtbank Amsterdam 07-06-2000, JAR 2000, 147


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling (sociaal plan).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 147.

In verband met de slechte financiële situatie wordt een docent, 44 jaar oud, 14 jaar in dienst, salaris NLG 3.921,-- bruto per maand, opgezegd met ontslagvergunning onder toekenning van de suppletieregeling volgens het sociaal plan. Zowel de kantonrechter als rechtbank in hoger beroep wijzen de vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag af. De werkgever had een zwaarwegend belang om haar afdeling vaste docenten volledig op te heffen. De werknemer heeft de mogelijkheid afgewezen om de arbeidsovereenkomst te wijzigen in één voor bepaalde tijd voor het werkelijk te geven aantal lesuren. De kansen van de werknemer ten tijde van het ontslag op ander werk waren betrekkelijk gunstig (hij vond ook na twee maanden reeds een nieuwe baan). Het beroep van de werknemer op het gelijkheidsbeginsel, nu ten aanzien van een aantal andere werknemers, na weigering van de ontslagvergunning, de arbeidsovereenkomst was ontbonden door de kantonrechter met toekenning van een vergoeding conform de neutrale kantonrechtersformule, wordt door de rechtbank verworpen. Ten tijde van het einde van het dienstverband was nog niet bekend dat ten aanzien van andere werknemers ontbinding door de kantonrechter met een vergoeding zou plaatsvinden, die afweek van het sociaal plan. Dat maakt achteraf het ontslag niet kennelijk onredelijk, omdat voor de beoordeling van die kennelijke onredelijkheid immers moet worden gekeken naar de stand van zaken voorafgaand en op de ontslagdatum en niet naar alles wat daarna nog is voorgevallen.

Terug naar overzicht