Rechtbank Amsterdam 07-11-2001, JAR 2002, 10


Directeur. Goed werkgeverschap. Gratificatie/tantième. Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 10.

Een werknemer, 45 jaar oud, is sinds 1 maart 1985 in dienst bij de werkgever. Sinds september 1991 is hij statutair directeur (salaris NLG 23.500,-- bruto per maand, exclusief emolumenten waaronder een bonus van gemiddeld NLG 32.646,-- bruto per maand). In zijn arbeidsovereenkomst is bepaald dat, indien de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt, anders dan op grond van een dringende reden, de werknemer een schadeloosstelling zal ontvangen van omstreeks 15 maandsalarissen, afhankelijk van de lengte van het dienstverband. Op 7 september 1999 is aan de werknemer meegedeeld dat de werkgever voornemens was hem te ontslaan. Een hem voorgelegd "Termination Agreement" heeft de werknemer niet getekend. Verder is hij op dezelfde dag op non-actief gesteld. In een aandeelhoudersvergadering van 28 september 1999 is de werknemer per direct ontslagen als bestuurder en als werknemer. In verband met de niet in acht genomen opzegtermijn is aan hem een bedrag betaald van NLG 111.265,--. Verder heeft hij nog een beëindigingsvergoeding ontvangen van NLG 897.939,--. De werknemer stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk en onregelmatig is en dat de werkgever de bonus over de eerste negen maanden van 1999 niet heeft voldaan. De rechtbank overweegt dat zij de stelling van de werknemer dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag in volle omvang moet onderzoeken en dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen afvloeiingsregeling daaraan niet afdoet, doch slechts één van de factoren is waarmee rekening dient te worden gehouden. De rechtbank acht het onaanvaardbaar, gelet op het carrièreverloop van de werknemer, in samenhang met het feit dat hij steeds zeer hoge bonussen en winstdelingen ontving en het ontbreken van enig stuk waarin kritiek op het functioneren van de werknemer is geuit, dat de werknemer van de ene op de andere dag op non-actief is gesteld en is geconfronteerd met een ontslag binnen een maand, zonder inachtneming van de opzegtermijn. Hij heeft zich bovendien niet kunnen verweren tegen eventuele kritiek of zijn werkwijze kunnen aanpassen. Deze gang van zaken verdraagt zich niet met het goed werkgeverschap. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank de toegekende vergoeding onvoldoende. De winstdeling en bonus konden daarbij niet buiten beschouwing blijven, nu zij een structureel en substantieel onderdeel uitmaken van de maandelijkse beloning. Aan de werknemer komt daarom een extra vergoeding toe van NLG 1.000.000,--. Verder kan de werknemer nog aanspraak maken op de gemiddelde bonus over de opzegtermijn (NLG 97.938,--) en op de bonus over de eerste negen maanden van 1999 (NLG 448.000,--).

Terug naar overzicht