Rechtbank Amsterdam 09-07-2003, JAR 2003, 191


Aansprakelijkheid werknemer. Concurrentiebeding.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 191.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Amsterdam 04-12-2001, JAR 2002, 35, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 134). De werknemer, internist, is bij de werkgever in dienst geweest als medical research project manager. De werknemer hield zich bezig met een studie waarbij een nieuw geneesmiddel voor hartpatiënten getest werd. In november 1998 heeft de nieuwe verantwoordelijke voor de studie laten weten wijziging van het protocol wenselijk te achten. De werknemer heeft hiertegen en met name tegen de verlaging van de dosering van de medicijnen bezwaren geuit omdat hierdoor gezondheidsrisico's voor patiënten zouden ontstaan. Op 30 mei 1999 heeft werknemer een brief verzonden aan de medisch-ethische commissies (MEC's) in Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland die betrokken waren bij de studie. Deze brief heeft geleid tot opschorting van de uitvoering in Frankrijk en Duitsland. De werkgever heeft gesteld dat de werknemer aldus zijn contractuele geheimhoudingsplicht heeft geschonden en heeft vergoeding gevorderd van de daardoor geleden schade. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Op het hoger beroep van de werknemer stelt de rechtbank vast dat de werknemer in een conflict van plichten verkeerde, waarbij zijn verplichting tot geheimhouding jegens de werkgever en zijn verplichting om zich jegens deze als een goed werknemer te gedragen, botste met zijn plicht om als arts en "clinical expert" patiënten te beschermen tegen onnodige risico's bij deelname aan een experimenteel onderzoek naar de juiste dosering van een nieuw geneesmiddel. De oprechtheid van de mening van de werknemer, dat verlaging van de dosering een onnodig risico opleverde voor een kwetsbare patiëntengroep, is nimmer ter discussie gesteld en geldt als gegeven. De rechtbank stelt verder vast dat de werknemer het nodige heeft ondernomen om zijn standpunt intern ter discussie te stellen. Hij heeft zijn bezwaren tot drie keer toe op schrift gesteld. Niet gebleken is dat de werkgever naar aanleiding daarvan met hem in discussie is gegaan of hem in de gelegenheid heeft gesteld zijn bezwaren tegenover de begeleidingscommissie van het onderzoek toe te lichten. Evenmin zijn de bezwaren van de werknemer aan externe deskundigen voorgelegd. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het gerechtvaardigd dat de werknemer zelf de MEC's in kennis heeft gesteld van zijn bezwaren. Hij hoefde er niet op te vertrouwen dat de werkgever zijn bezwaren zelf in volle omvang aan die commissies ter kennis zou brengen. De wijze waarop de werknemer naar buiten getreden is, te weten door zijn bezwaren ter vertrouwelijke kennisneming te brengen van de MEC's in de landen waar de onderzoeksaanvraag liep, is daarnaast proportioneel te noemen. Het verwijt dat de werknemer de werkgever geen kopie van zijn brief aan de MEC's…

Terug naar overzicht